Deelt de minister de mening dat het weerbericht niet klopt?

Na negen weken is het reces voorbij. Kamerleden kunnen weer vragen gaan stellen aan het kabinet. En dat gaan ze doen ook. Het aantal Kamervragen neemt elk jaar toe. Door kortaf te reageren proberen ministers de wildgroei tegen te gaan

Dat u het even weet, geacht Kamerlid: „Kamervragen dienen niet om de eigen mening van een lid te verkondigen.” Zo staat het in de voorschriften die elke Nederlandse parlementariër nog eens kan doorlezen aan het begin van het nieuwe parlementaire jaar – vandaag dus.

Het ‘vragenrecht’ of ‘recht op inlichtingen’ behoort tot de belangrijkste instrumenten waarover een parlementariër beschikt. De gelegenheid om de regering vragen te stellen is een recht dat de Grondwet alle Tweede en Eerste Kamerleden geeft. Bewindslieden moeten de inlichtingen verstrekken, tenzij dat in strijd is „met het belang van de staat”. Daar hebben ze dan drie weken voor. Daarna is „schriftelijk een opgave van reden aan de Kamer” nodig om drie weken uitstel te krijgen.

Kamerleden zijn medewetgevers, maar ook controleurs van de regering. Zij zijn volksvertegenwoordigers en stellen hun vragen dus mede namens de kiezers.

Hoe doen ze dat? Kamervragen kunnen per fax, e-mail of op papier worden ingeleverd bij de griffie. Bellen mag niet. De griffier noteert het tijdstip van ontvangst en stuurt ze door.

Vervolgens kijkt de Kamervoorzitter ernaar. Die heeft nogal wat redenen om vragen af te wijzen. Vragen met beledigende inhoud. Vragen die gaan over onderwerpen waar de regering niet over gaat. Vragen over onderwerpen die toch al op de planning stonden, zoals in een debat. Vragen die taal- of tikfouten bevatten, mogen ook aangepast worden. Dat geldt eveneens voor het begeleidende stukje van het Kamerlid.

Omdat niet de parlementariër over ‘doorgeleiding aan de regering’ van de vraag gaat, maar de Voorzitter, „kan deze die weigeren” of „verbeteren”, volgens de regels. Hoe dat gaat? „Spoedshalve en zonder overleg.”

Naast schriftelijk kunnen vragen ook mondeling gesteld worden – al is de selectie daarvoor strenger bij gebrek aan debattijd. Ook daar geldt: vragen stellen doe je om iets te willen wéten. Niet om iets te verkondigen.

„Bent u bekend met de weersomstandigheden in grote delen van Nederland van de afgelopen week? Deelt u de mening dat deze niet klopten met de weersvoorspelling [...] die door het KNMI is gedaan?” (Michiel Holtackers, CDA)