Bevroren teen en schaatsen van hertenbeen

Het Eerste Friesche Schaatsmuseum in Hindeloopen herbergt een collectie schaatsattributen en is een hommage aan de Elfstedentocht. Verzamelaar Gauke Bootsma is zowel directeur als rayonhoofd.

Tinus Udding verloor een teen in de barre tocht van 1963. 16-08-2011 Eerste Friese Schaatsmuseum in Hindeloopen NRC Handelsblad De teen van Tinus Udding die moest worden geamputeerd in 1963 na de barre Elfstedentocht van dat jaar. Udding eindigde als 31ste Udding schonk de teen aan het schaatsmuseum. ©Hoge Noorden/Jacob van Essen
Tinus Udding verloor een teen in de barre tocht van 1963. 16-08-2011 Eerste Friese Schaatsmuseum in Hindeloopen NRC Handelsblad De teen van Tinus Udding die moest worden geamputeerd in 1963 na de barre Elfstedentocht van dat jaar. Udding eindigde als 31ste Udding schonk de teen aan het schaatsmuseum. ©Hoge Noorden/Jacob van Essen Foto:HogeNoorden/Jacob van Essen

It giet oan. It sil heve. De exacte formulering waarmee de voorzitter van de Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden een volgende editie zal uitroepen, is nog niet bekend. Wie niet wil wachten tot het ijs weer eens vijftien centimeter dik is, kan altijd terecht in het Friese Hindeloopen. Hier opende Gauke Bootsma in 1983 het Eerste Friesche Schaatsmuseum.

Uiteraard herbergt het museum een grote hoeveelheid schaatsen. De ijzeren wieken maakten door de eeuwen heen een heuse evolutie door. Daaruit spreekt een onstuitbare drang om het ijs te overwinnen. Middeleeuwse schaatsen, gemaakt van herten- en paardenbeenderen, waarbij de eerste schaatsers zich voortduwden met prikstokken. Vanaf 1500 komen er nieuwe modellen uit hout, en later uit ijzer.

Uiteraard heeft het museum oog voor meer dan Nederland alleen. De collectie herbergt ook enkele prachtige Japanse, Russische en Scandinavische schaatsen, alle uit hout vervaardigd. De Britse schaatsen, versierd met sierlijke patronen, staan in schril contrast met de zware Friese werkschaatsen. Het getuigt van een totaal verschillende beleving. Voor Britten is het ijs een vermakelijk winters tijdverdrijf, voor Friezen is het een deel van het dagelijkse leven.

Naast de grote hoeveelheid schaatsen hangt het museum vol met krantenknipsels, tekeningen en keramiek. Schaatsen is alomtegenwoordig in de Friese winter. Een detail uit een Bolswarder preekstoel uit 1662 toont hoe lang schaatsen al vervlochten is met het dagelijkse leven. Het museum heeft ook aandacht voor de ambachtelijke dimensie. Zo heeft het museum een volledige schaatsslijperij nagebouwd.

Publiekstrekker in het schaatsmuseum is uiteraard de aparte sectie over de Elfstedentocht. Naast museumdirecteur is Gauke Bootsma ook rayonhoofd in Hindeloopen, een van de Friese elf steden. „Elke tochtrijder heeft zijn verhaal”, zegt hij. „Iedereen maakt wat mee.”

Het museum maakt dankbaar gebruik van het schier bodemloze vat aan verhalen. Verhalen over Minne Hoekstra, de enigmatische dominee die in 1909 de eerste Elfstedentocht won. Over Evert van Benthem, die de Tocht in 1985 op een kapotte schaats won. Over W.A. van Buren, de naam waaronder prins Willem-Alexander in 1986 meereed.

Het meest in het oog springende object is zonder enige twijfel de teen van Tinus Udding. Udding verloor hem tijdens de barre tocht van 1963. Volgens de overlevering vroor het zestien graden onder nul. Slechts 69 van de circa 10.000 gestarte deelnemers haalden het. Uddings teen, inmiddels opgedroogd, is een icoon van Elfsteden-heroïek.

Ook het verhaal van Piet Kleine is vereeuwigd in het schaatsmuseum. De onfortuinlijke Kleine werd na afloop van de race in 1997 door de hele natie in de armen gesloten toen hij in de vijftiende Elfstedentocht als vijfde eindigde, maar uitgerekend in Hindelopen een stempelpost miste.

„Iedereen heeft gezien dat Kleine hier is geweest”, vertelt Bootsma nu. „Maar de Elfstedenvereniging hield voet bij stuk, en diskwalificeerde hem.” Zijn stempelkaart, nog steeds zonder Hindeloopse stempel, hangt nu in een vitrinekast. De brug waar Kleine de controlepost miste, heet nu ‘Piet Kleine Brechje’.

Het museumhoekje over de Elfstedentocht heeft ook oog voor de kameraadschap onder de deelnemers. Tijdens de vaak barre omstandigheden houden de rijders geregeld op met tegenstanders te zijn. Zo hebben de edities van 1933 en 1940 meerdere winnaars. Het is een solidariteit die weinig andere sporten hebben.

Ook al is zelfs die kameraadschap onder de rijders niet heilig. Zo verhaalt de expositie over het zogenaamde ‘Pact van Dokkum’ uit 1940. Tijdens die barre tocht ontstond bij de vijf koplopers ter hoogte van Dokkum het idee samen over de streep te rijden. „Bij die koplopers zat maar één Fries, Auke Adema”, vertelt Bootsma. „Net voor de aankomst in Leeuwarden begint het hele publiek Fryslân boppe te schreeuwen. Die arme Adema kon zich niet bedwingen en sprintte weg. Er was zoveel volk aan de finish dat niemand kon uitmaken wie er gewonnen had.” Zodoende heeft de tocht van 1940 vijf winnaars op de erelijst.

Na 1940 deed de Elfstedenvereniging de pacten in de ban. Onderlinge afspraken werden formeel verboden. Bij de volgende tocht, in 1956, bleef de kopgroep tegen de regels in samen. Maar het zogenaamde ‘Pact van Vrouwbuurstermolen’ hield geen stand. De Vereniging was onvermurwbaar. De Tocht van 1956 kent tot aan de dag van vandaag geen winnaar.

„Eigenlijk kan ik er dagen over praten”, glimlacht Bootsma. Om van schaatsen te dromen heeft een Fries geen vorst nodig.