Te veel Europa vervreemdt, te weinig Europa werkt niet

Je bent geen anti-Europeaan wanneer je in Brussel soms een grens trekt, betoogt Ben Knapen, maar er mag ook geen taboe rusten op verdere aanscherping van de Europese bevoegdheden.

Europese integratie begon ooit symbolisch met Franse en Duitse jongeren die na de Tweede Wereldoorlog de slagbomen tussen hun beider landen uit constructief protest naar beneden haalden. Nie wieder Krieg en ‘Weg met het Nationalisme’ kregen een vertaling in een groot programma van integratie. Dat het met het slopen van slagbomen begon, was geen toeval: de slagboom illustreert de fysieke afbakening van het begrip soevereiniteit. Aan deze kant van de streep ligt fysiek de macht bij staat A, aan de andere kant bij staat B. Die scheidslijn is van een digitale ondubbelzinnigheid.

Dwars door zulke grenzen heen begon het integratieproject vervolgens te lopen. Een halve eeuw later is dat proces inmiddels zover voortgeschreden dat het al lang geen eliteproject meer is. Europa staat bij iedereen op de stoep, of zit in ieders portemonnee. We worstelen ermee, tot aan het neurotische toe.

Enerzijds zijn we gehouden voor een goed functionerende Unie bevoegdheden van Brussel aan te scherpen – bijvoorbeeld bij het nieuwe Stabiliteitspact. Anderzijds reageren we angstvallig op alles wat oogt als vermindering van nationale soevereiniteit. Het complexe, lastig precies te definiëren begrip ‘soevereiniteit’ is zelfs gepromoveerd tot een politiek trefwoord van de eerste orde. Het wordt veelal gebruikt met het werkwoord ‘inleveren’. Dat schept onbehagen, soms regelrechte weerzin en in elk geval een gevoel van bedreiging. Met het begrip ‘soevereiniteit’ willen we een grens kunnen trekken: tot hier en niet verder.

Natuurlijk bevat het idee van zo’n opnieuw te trekken grens elementen van zelfbedrog. Neem de euro. Vroeger hadden we de gulden en waren we baas in eigen huis, hoor je soms.

In werkelijkheid waren we natuurlijk een op een gekoppeld aan de D-mark. Daar hadden we niets over te zeggen. Nu praten we in Frankfurt mee. Je zou dus kunnen zeggen dat onze soevereiniteit geringer is, maar onze handelingsvaardigheid groter.

Of neem twee landen die bewust geen lid zijn van de Europese Unie, Zwitserland en Noorwegen. Die landen nemen keurig praktisch alle Brusselse richtlijnen over, ze doen mee met Schengen. Ook hun grenspalen zijn dus verwijderd. Waarom? Omdat ze menen anders niet te kunnen functioneren. Ze zitten dus met huid en haar in Europa, hun afgrenzing is betrekkelijk. Hun soevereiniteit is enerzijds absoluut, anderzijds zo betrekkelijk als hun grens.

Sprekend over grenzen moet je constateren dat we in Europa meer en meer een gezamenlijke buitengrens hebben en steeds minder binnengrenzen. Voorbij alle gepassioneerde eurofilie van de jaren zestig en zeventig, en voorbij alle luidruchtige euroscepsis van de laatste jaren, is het goed deze werkelijkheid te blijven zien. Wij wonen, werken en leven in Europa en dus hebben ook wij de dure plicht Europa weerbaar, werkbaar en leefbaar te houden. Daar hoort af en toe duw- en trekwerk bij, maar ook geven en nemen, en onderling respect.

Hoewel ik me zo beschouwd werkelijk Europeaan voel, ben ik tegelijkertijd van mening dat we over die angst voor het onbegrensde Europa ook niet lichtvaardig moeten denken. De soevereiniteit van de natiestaat binnen herkenbare landsgrenzen creëert immers ook het ethos dat nodig is voor opofferingsgezindheid, dus ook voor solidariteit. Het kenmerk van een functionerende staat is dat het landsbestuur via belastingen middelen aan burgers kan onttrekken en die voor collectieve doeleinden kan aanwenden, zo zei Thomas Jefferson het ooit treffend.

Dat ethos is een waardevol en zorgvuldig te koesteren goed. Een Europa waarin niet de lidstaten, maar de Unie de uiteindelijke soeverein is en in de geest van Jefferson over belastingen en verdeling gaat, vergt een mate van doorleefde lotsverbondenheid die de spankracht van Europa zeker nu verre te boven gaat.

Dat wordt met de voortdurende uitbreidingen eerder lastiger dan gemakkelijker. Naar mijn mening gaan het Europees Parlement en de Europese Commissie erg lichtvaardig om met dit risico.

Ik heb er dan ook niet zo veel moeite mee om met essayist Bas Heyne vast te stellen dat we een idee van Nederland in een versplinterde wereld nodig hebben, een verhaal dat het belang van eigen cultuur en geschiedenis erkent. Zolang het maar niet vervalt in claustrofobisch nationalisme, want dat is niet van deze tijd, miskent de grenzeloze werkelijkheid, maakt intolerant, schaadt ons belang, en je bouwt er verder ook niets mee op wat de moeite van het behouden waard is.

Als het om Europa gaat, constateer ik dus: te veel Europa vervreemdt, te weinig werkt niet. Het zou goed zijn het debat daarover zo open en onverkrampt mogelijk te voeren. We hoeven niet steeds als door een hond gebeten te reageren wanneer een situatie aanleiding geeft tot aanscherping van Europese bevoegdheden, we moeten er geen taboe van maken.

In de eurozone staan we nu op een punt dat we óf een stevige stap voorwaarts zetten, óf ons door de omstandigheden in de hoek laten drukken. Ik kies voor het eerste. Voor Nederland is een stabiele euro cruciaal. Daar hangen banen vanaf, daar hangen pensioenen vanaf. Zeker is dat er voor een stabiele euro dingen moeten veranderen. Maar als we willen dat de afspraken uit bijvoorbeeld het Stabiliteits- en Groeipact worden nagekomen, en dat willen we, dan moeten we ook de consequenties aanvaarden. De euro heeft onafhankelijk gezag met tanden nodig.

Omgekeerd ben je ook geen anti-Europeaan wanneer je soms in Brussel een grens trekt. Voorbij de eurofilie van weleer en het eurochagrijn van recentere datum is het onze dure plicht en moet het ook onze ambitie zijn om iets goeds te maken van dit deel van de wereld waar wij wonen, leven en werken. Dat is Europees belang en dat is ons belang in Europa.

Dit is een verkorte weergave van de tekst die staatssecretaris Ben Knapen (Buitenlandse Zaken, CDA) vandaag uitsprak bij de opening van het academisch jaar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.