Monumentale 'Macbeth' in enorme machinehal

Ruhrtriennale: Macbeth van Shakespeare door het Thalia Theater Hamburg. Regie: Luk Perceval. T/m 17 september. Inl: ruhrtriennale.de****

Het is vaker vertoond, maar in de reusachtige Maschinenhalle Zweckel in Gladbeck is het beeld toch verpletterend: de zeker vijftig meter brede speelvloer in de oude elektriciteitscentrale is geheel bezaaid met zwarte schoenen. Legerkisten zijn het, en het lot van degenen die ze droegen laat zich raden. Hier heeft een massaslachting plaatsgehad, en aan de handen van soldaat Macbeth kleeft het meeste bloed. Kinderen zingen liedjes over de krijgsheld, maar in de versie van Luk Perceval is hij zélf oorlogsslachtoffer: de opkomst van acteur Bruno Cathomas is terneergeslagen. Nauwelijks kan hij praten, hij aarzelt, slikt, zijn stem trilt: hier staat een getraumatiseerd man.

Lady Macbeth (Maja Schöne) is een geëxalteerde hysterica en een trouweloze flirt. Zij kan alleen maar lachen om zijn afhangende schouders, zijn machteloze mond. Ze verwijt haar man gebrek aan mannelijkheid, en stookt hem op meer mans te zijn.

Maar Macbeth wordt geplaagd door angsten, in de vorm van heksen. Negen zijn dat er bij Perceval: griezelige dunne gestalten van wie gezicht en naakt lichaam grotendeels schuilgaan achter hun haar. De oorlog is niet voorbij, fluisteren ze hem in, nooit zal hij veilig zijn. Het is dat besef dat bij Macbeth de behoefte voedt koning te zijn. Maar daarvoor moet hij wel de huidige koning Duncan doden. Daar komt hij niet uit, Macbeth weifelt en twijfelt, tot zijn opruiende vrouw in hem een waanzinnige moordlust doet ontwaken.

In de belangrijkste scène van het stuk herinnert zij hem wreed aan hun gestorven kind. Dan breekt Macbeth, verliest zich in verdriet, en laat hij de gekte, de bloeddorst toe. Bruno Cathomas speelt die transformatie groots: moeiteloos schakelt hij van huilen naar lachen, van slachtoffer naar krankzinnige moordenaar. Man en vrouw vinden elkaar terug in hun wraakzucht. Maar op de achtergrond kruipen de heksen dichterbij.

Perceval maakte een imposante, monumentale Macbeth, mede dankzij de adembenemende ruimte en de manier waarop het licht door de hoge ramen naar binnen valt: zo wordt elke figuur klein, ieder mens nietig. Er is in zijn enscenering weinig ruimte voor psychologie, maar zijn mysterieuze universum overtuigt niettemin – door de ijle, verloren sfeer die de industriële ruimte ademt, en door het minimale decor, met naast de schoenen enkel een torenhoog bouwwerk van wankele tafels, reikend tot aan het plafond.

En natuurlijk door die heksen, symbool van het naderend onheil, zwijgend maar dreigend, met hun magere lichamen in groteske posities: de ruggen gekromd, de armen en benen geknakt. Als Macbeth zijn vriend Banquo doodt, schudden, trillen en stuipen zij angstaanjagend, terwijl het lijkt of de ongebruikte machinerie van de hal weer tot leven komt: ondergronds rommelt, beukt en stampt de ruimte. De schoenen worden overeind gezet: daar doemt een nieuw leger op. Als Macbeth dan ook zijn vrouw aan waanzin verliest, is hij verloren.