Iran vecht zijn oorlog tegen het zondige Westen uit op internet

Iraanse internetters die surfden met Chrome, de browser van Google, ontdekten het: een Iraanse instantie óf een persoon heeft een vals, door het Nederlandse bedrijf DigiNotar uitgegeven beveiligingscertificaat gebruikt, om e-mails van Iraanse internetters te lezen.

Het onderscheppen van mail past binnen de taakomschrijving van de Iraanse ‘cyberpolitie’: internet in de gaten houden. Hoog nodig, zeggen de leiders van de islamitische republiek, omdat het land in ‘cyberoorlog’ verkeert. Na de antiregeringsprotesten van 2009 werden miljoenen websites geblokkeerd. Tijdens ondervragingen van dissidenten wordt gevraagd naar wachtwoorden van accounts voor e-mail en Facebook.

Voor de islamitische republiek zijn sociale netwerksites als Facebook – en in mindere mate Twitter – onderdelen van een westers complot tegen haar systeem van leiderschap door geestelijken. De Opperste Leider van Iran, Ali Khamenei, heeft geregeld gezegd dat Iran zich daartegen moet verdedigen.

Daarom is er na de opstanden in 2009 een speciale cyberpolitie opgericht. Die surft niet alleen het net af op zoek naar afwijkende meningen. Ze probeert ook actief het e-mailverkeer van dissidenten, activisten en journalisten te onderscheppen, op zoek naar oproepen tot demonstraties, contacten met buitenlandse veiligheidsdiensten en andere activiteiten die als staatsgevaarlijk worden gezien.

Internet is een wapen in de strijd tussen Iran en het Westen. De Amerikaanse regering vroeg in 2009 aan Twitter om werkzaamheden aan zijn site tijdens de Iraanse opstanden tijdelijk te staken, om het gebruik ervan door Iraanse activisten niet te beperken. Daarnaast bepaalde president Obama dat Google en andere internetbedrijven vrijuit aan Iran mochten leveren. Activisten daar zouden dan de programma’s van die bedrijven kunnen downloaden, die anoniem surfen gemakkelijker maken.

Iraanse hackers zeggen dat een aantal van hen is gerekruteerd om te assisteren bij het opzetten van afdelingen van de cyberpolitie. Anders dan veel andere landen in het Midden-Oosten heeft Iran een brede, hoog opgeleide middenklasse. Het massale internetgebruik in de islamitische republiek is niet alleen een probleem voor de machthebbers, maar ook een oplossing. Het land hoeft geen dure westerse programma’s in te kopen om internet af te tappen. Dat kan ook niet, als gevolg van de Westerse sancties tegen Iran. Het land heeft zelf genoeg whizzkids die zich kunnen meten met de wereldtop van hackers.

De afgelopen jaren heeft het ‘Iranian Cyber Army’ duizenden websites gehackt, waarbij er vaak niet meer dan een boodschap werd achtergelaten. Vrij amateuristisch, zeggen deskundigen. Maar de internationale toename van Iraanse hacks laat zien dat het land steeds geavanceerder te werk gaat op internet.

Tijdens een bijeenkomst van hackers vorig jaar zette de regering de beste ‘cyberofficieren’ in het zonnetje. „We zijn hier om harde strijd in een zachte oorlog te vieren”, zei een jonge presentator. Hij stond naast de uitsnede van een islamitische soldaat met de letters ‘www’. „De VS en hun Iraanse bondgenoten zijn deze strijd begonnen. Jullie hebben hen tegengehouden.”