Huilen deed ik uit het raam

Matthijs Immink, beeld bij verhaal van Jente Posthuma voor Zin/NN. Alleen in deze context te gebruiken.
Matthijs Immink, beeld bij verhaal van Jente Posthuma voor Zin/NN. Alleen in deze context te gebruiken.

Bij foto Paard

Toen ik twee jaar oud was verdronk ik bijna in het zwembad bij ons Franse vakantiehuis. Mijn vader had net een sjekkie opgestoken toen hij mijn moeder als versteend naar iets in het water zag wijzen. Ze zag hoe ik langzaam naar de bodem zakte, maar kon zich niet bewegen. Mijn vader wel. Die sprong met brandende peuk in het water. Voor hij me opviste zag hij dat ik mezelf aan mijn haren omhoog

probeerde te trekken. ‘Heel bijzonder’, zei mijn moeder later elke keer wanneer het voorval ter sprake kwam. ‘Heel, heel, heel bijzonder.’ Rond mijn zevende kwam ik erachter dat ik helemaal niet zo bijzonder was. De baron von

Münchhausen had iets soortgelijks gedaan, las ik in een indrukwekkend prentenboek dat ik uit de

bibliotheek had gehaald. Die had zichzelf aan zijn vlecht uit het moeras getrokken, mét resultaat. En

hij kon ook op kanonskogels vliegen en doorrijden op een in tweeën gehakt paard. Kanonskogels

bestaan niet meer, wist ik, maar zo goed paardrijden kon ik vast ook. Dat moest haast wel. Ik had het

gewoon nog nooit geprobeerd.

Niet lang daarna zat ik voor het eerst op de rug van een paard. Het was een vlekkerig dier met

een dikke kont en stevige benen. We reden rondjes op het veldje achter het winkelcentrum. Ik had

mijn nieuwe sportschoenen aan met schokdempende luchtkussens. Een blonde vrouw liep voor me

uit en hield het paard bij zijn teugels. Ik wilde dat ze hem losliet, zodat ik de vaart erin kon zetten, maar

dat deed ze niet. Ze had hem zo stevig vast dat ik het wit op haar knokkels kon zien. Ik draaide me om

naar mijn vader, die aan de rand van het veldje stond te wachten.

Het duurde even voor hij me zag en zwaaide.

Matthijs Immink & Jente Posthuma

Bij foto Boom

Ik lag in het park en leunde achterover in het gras. In de strakblauwe lucht boven de bomen tekende

zich een witte streep af. De finishlijn, dacht ik, daarachter begint de hemel. Als je daar bent, dan ben je

klaar.

Ik herinnerde me hoe ik jaren geleden hetzelfde had gedacht toen ik vanaf mijn bed in Lissabon naar buiten keek en net zo’n kaarsrechte streep de lucht in tweeën zag delen. In Amsterdam was ik verliefd geworden op een Portugese uitwisselingsstudent en voor hem was ik naar Lissabon gevlogen.

Hij had me zelf uitgenodigd, maar toen het eenmaal zover was, leek het net of ik ongelegen kwam. Overdag sliep hij alleen maar en ‘s nachts zat hij te gamen op de enorme plasma-tv in zijn woonkamer. Toen ik na een paar dagen zei dat ik weg wilde, raadde hij me een hostel aan. Daar zou ik blijven tot ik terugvloog naar Amsterdam.

Ik deelde mijn kamer met vijf andere meisjes, ervaren reizigsters uit alle hoeken van de wereld. Ze

hadden grote rugzakken met riempjes eraan en beduimelde lonely planet-gidsen. Ik had een rolkoffer

en een weekendtas en ik wist niet wat ik tegen ze moest zeggen. Als ze me over hun reizen vertelden,

glimlachte ik krampachtig. Zo glimlachte ik de hele dag, want er was altijd wel iemand in mijn buurt.

Huilen deed ik uit het raam, met mijn hoofd in de wind. Het was hetzelfde raam waardoor ik vanaf mijn

bed de hemel achter de finishlijn had kunnen zien. Maar als ik huilde was de lucht meestal zwart en

zag ik alleen heel in de verte de lichtjes van de bars en restaurants op de boulevard.

Matthijs Immink & Jente Posthuma

Bij foto Glas

Mijn goede vriend B. had een nieuwe vriendin. ‘Ze is heel nuchter en heeft grote borsten’, zei hij.

Ik ontmoette haar voor het eerst tijdens een etentje bij hem thuis. Ze praatte erg hard. ‘Ik ben

iemand die heel sociaal is’, riep ze. En tegen hem: ‘De volgende keer dat je gaat hardlopen moet je je

telefoon meenemen’. Daar werd ik een beetje stil van. Zo moet je dus een vriendin zijn, dacht ik. Zelf

stelde ik me bij een nieuwe liefde vaak heel voorzichtig op, onzichtbaar bijna. De meeste mannen op

wie ik viel vonden dat prettig. ‘Hou dan op met op dat soort mannen te vallen’, zei B. altijd. Daar had hij

wel gelijk in. Gewoonlijk had ik na een tijdje genoeg van het bijna onzichtbaar zijn. Dan werd ik extreem

boos en verbrak de relatie.

B. hield van luidruchtig aanwezige vrouwen. De zogenaamd brutale types die zichzelf overschreeuwen

om te voorkomen dat je contact met ze krijgt. ‘Jij hebt geen pantser’, had hij wel eens tegen me

gezegd. ‘Je moet een pantser hebben.’ Ik denk dat hij bedoelde dat ik meer moet schreeuwen tegen

mensen en me niet moet laten leiden door wat ze willen van mij. In dat laatste had hij wel weer gelijk.

‘Maar ik vind zo’n pantser bij mensen saai’, antwoordde ik. B. grinnikte toen alleen maar.

Als entomoloog deed hij onderzoek naar het gedrag van roofwantsen. Dat zijn vraatzuchtige

beestjes die hun prooi verlammen met bepaalde stoffen in hun speeksel en hem dan van binnen

uitzuigen. Uit hun achterlijf verspreiden ze een stinkend gif waarvan ze zelf geen last hebben, want ze

dragen een schild. Als ze zich bedreigd voelen maken ze lawaai met dat schild. ‘Een sjirpend geluid’,

wist B.

We aten die avond kaasfondue, dronken witte wijn en hadden espresso met whiskey toe. ‘Ik kan

ontzettend goeie koffie maken’, schreeuwde de vriendin van B. Na drie whiskey ging B. het geluid van

een roofwants nadoen. Daarna ging ik naar huis.

Matthijs Immink & Jente Posthuma

Bij foto Fiets

Ik was een paar maanden voor mijn werk in het buitenland geweest. Toen ik terugkwam in Amsterdam

stond er een andere fiets op mijn vaste parkeerplaats. Het was zo’n aanstellerige damesfiets met een

kratje voorop, waarschijnlijk van iemand die net in de straat was komen wonen. Ik zette mijn fiets ernaast,

maar wel zo dat mijn achterwiel het voorwiel van de ander raakte. Mijn nieuwe buurvrouw mocht

best weten dat ik er was.

Op dagen dat de fiets met het kratje er niet stond, zette ik de mijne er weer neer. Elke keer als

ik dat deed, stelde ik me voor dat de buurvrouw daar commentaar op had en bedacht ik wat ik dan

tegen haar zou zeggen. Dat was altijd hetzelfde: ‘Al ruim zes jaar zet ik mijn fiets hier neer. Ik was even

weg, en toen ging jij hier staan. Misschien denk je dat ik jouw plek heb ingenomen, maar het is dus

precies andersom.’

Als ik aan het einde van de dag de straat kwam inrijden had de buurvrouw meestal mijn plekje

weer bezet. Zo voerden we een stille strijd om het rijtje stoeptegels tegenover mijn huis. Een keer had

ze mijn fiets weggehaald en een paar meter verderop – scheef – tegen andere fietsen aangezet. Toen

heb ik moeten ingrijpen. Ik woon hier nota bene al meer dan zes jaar, dacht ik, terwijl ik de fiets met

het kratje optilde en een eind verder liet zakken onder een esdoorn die luizen had, waardoor er de

hele dag plakkerig spul uit viel. Dat spul was heel moeilijk te verwijderen.

Even had mijn buurvrouw daar niet van terug, totdat ik op een dag thuiskwam en haar fiets weer

op mijn parkeerplaats vond. Ik was net bezig mijn fiets er heel dicht naast te zetten, toen ze aan kwam

lopen. Vanuit mijn ooghoeken volgde ik haar terwijl ik voorovergebogen over mijn fiets bleef dralen,

zogenaamd klungelend met het slot. Ze was jong, ergens in de twintig, en had een grote bos rommelig

haar dat half over haar ogen viel. Ze keek niet opzij naar mij, maar leek gefocused, angstig

misschien wel. Haastig gooide ze haar tas in het kratje, maakte haar fiets los en reed weg. Ik wachtte

tot ze uit het zicht verdwenen was en zette toen mijn fiets weer op zijn oorspronkelijke plek, recht

tegenover mijn huis, waar hij al ruim zes jaar had gestaan.

Matthijs Immink & Jente Posthuma