Gloeidraad

Het einde van het gloeipeertje, sinds vijf dagen officieel, is geen nieuws. Het is een breekpunt. Reizend door de grote steden van Azië, waar al definitief is afgerekend met de nacht, kun je nog maar naar een ding verlangen en dat is schaduw. Schaduw, zoals alleen het peertje van zestig watt dat kan laten vallen.

In Azië wordt duidelijk wat er gebeurt als er met alle zintuigen is afgerekend. Want zoals het duister is opgeofferd aan de gebroeders L.E.D. en T.L., zo is de stilte opgeëist door de firma Decibel. Nergens een donker hoekje, nergens een plekje rust. Gedempt licht en doffe klanken zijn met grootverlof, waarschijnlijk voor de eeuwigheid.

Wat over blijft zijn dichtgeslibde zintuigen. Je hoort niets, je ziet niets en je ruikt niets. Drijvend door een felle geluidswolk, als een weekdier op de deining, kom je pas aan land, overvoerd en murw geslagen, als je de voordeur van je eigen huis achter je dicht hebt geslagen.

Dat is niet alleen jammer, het is een drama van proporties, zoals de Japanse schrijver Jun’ichiro Tanizaki in de jaren dertig het einde van het kaarslicht als een culturele aardverschuiving beschreef.

Zijn Lof der Schaduw was niet alleen een ode aan het indirecte licht, maar ook een subtiel pamflet tegen een beweging die toen al niet meer te stoppen was: de introductie van westerse technologieën die de schoonheid van het alledaagse deed verdrinken. Daarin blijkt Tanizaki een oude ziel. Zo bezingt hij niet alleen lakvoorwerpen in kaarslicht, maar ook de vrouwen in het donker in de Huizen van Plezier. Of, plastischer, het Japanse toilet waar niets je dwingt stil te staan bij de onsmakelijke drang die je op dat moment overmant – omgeven door hout, met uizicht op glooiende rijstvelden. Hoe anders zijn de witte tegels en koude pot van het Westerse toilet.

Daar is het einde van een gloeipeer niks bij. Tanizaki moest er toch niets van hebben. Had iemand maar een goed idee. Want iedereen weet dat bij een goed idee een licht opgaat, en dat is zeker geen spaarlamp.

Floris-Jan van Luyn