Geef topuniversiteit een kans

Nederland is wereldkampioen subtop. We hebben dringend een topuniversiteit nodig, betogen Benno van Dongen, Jaron Weishut en Jeroen Vugts.

Nederland staat vierde op de ranglijst van de impact van wetenschappelijke citaties, maar geen van onze universiteiten behoort tot de wereldtop. Dit is zorgelijk. Onze welvaart hangt af van de internationale concurrentiepositie van onze instituten. Zonder topuniversiteit kunnen we op termijn talent behouden noch aantrekken. Een initiatief dat zicht biedt op zo’n topinstelling, verdient alle steun.

Vandaag openen universiteiten door heel Nederland het academisch jaar. Hierbij worden steevast universitaire topambities uitgesproken, maar wat is ‘top’? Rankings als die van Times Higher Education (geen Nederlandse universiteit in de tophonderd) of die uit Shanghai (Utrecht als hoogst genoteerde Nederlandse universiteit, op plaats 48) leiden tot verhitte discussies over betekenis en methodiek. Toch rekent iedereen desgevraagd dezelfde universiteiten tot de wereldtop – en dat zijn geen Nederlandse. Ze hebben namen als Harvard, MIT, Cambridge en Berkeley. We kunnen lang twisten over hoe je excellentie meet, maar iedereen herkent een topuniversiteit onmiddellijk. Het broeit en bruist er. Het onderzoek is er spannend, de studenten ambitieus, wetenschappers ondernemend, alumni succesvol en (durf)kapitaal dik gezaaid. Deze universiteiten zijn dikwijls het middelpunt van clusters van innovatie en bedrijvigheid. Nederland wil dat ook, maar heeft het niet, althans (nog) niet in die mate.

Nederland is wereldkampioen subtop. Nergens zijn per inwoner zo veel goede universiteiten zo toegankelijk en betaalbaar, maar juist een topuniversiteit zou het niveau over de hele linie verder optrekken en onze kenniseconomie aanzienlijk versterken. Landen als de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk hebben één topuniversiteit per circa 11 miljoen inwoners. In Nederland lijkt daarom plaats voor één topuniversiteit. Het idee is niet nieuw, maar was tot voor kort bestuurlijk onhaalbaar. Specialisatie, selectie en scheiding van onderwijs en onderzoek waren in polderend, egalitair academisch Nederland taboe. Ook nu weer zijn de reacties op het voornemen van de universiteiten van Leiden, Delft en Rotterdam om nauwer te gaan samenwerken lauw. Toch is er een model dat kan werken in Nederland.

Een topuniversiteit kent wereldwijd vijf verschijningsvormen:

1Harvard, Stanford, Yale en Columbia zijn voorbeelden van het eerste type – rijke, grote universiteiten met relatief veel promovendi ten opzichte van bachelorstudenten. Zij kunnen de beste onderzoekers aantrekken en de beste studenten selecteren.

2Universiteiten van de tweede soort, zoals Caltech, ETH Zurich en Princeton, zijn ook rijk, maar kleiner. Hun hoge budget per wetenschapper en student richten zij op een specifiek domein, vaak techniek.

3Een kleine derde groep bezigt een model van kleinschaligheid en exclusiviteit. Een voorbeeld is Carnegie Mellon. Deze universiteiten hebben relatief bescheiden budgetten, maar de selectie is extreem streng. Deze exclusiviteit heeft een grote aantrekkingskracht op topstudenten en -wetenschappers. Zij versterken op hun beurt de universitaire prestaties en reputatie.

4Archetypen van het vierde model zijn Oxford en Cambridge. Zij hebben het laagste aantal studenten per docent en halen met intensieve begeleiding het beste naar boven in studenten.

5Het vijfde model zie je onder meer bij Berkeley, UCLA en de andere campussen van de University of California (UC). Er zijn veel studenten op een kleine staf. Ouderejaarsstudenten en promovendi worden ingezet als begeleiders. Topwetenschappers concentreren zich op onderzoek en onderwijs aan masterstudenten en promovendi. Elke campus excelleert op enkele zwaartepunten.

Drie van deze modellen zijn voor Nederland te duur. Het budget per student ligt tussen de twee (Oxford en Cambridge), vijf (Harvard) en meer dan zestien (ETH en Caltech) keer zo hoog. Het kleinschalige model van Carnegie Mellon is ons vooral te elitair.

Het UC-model past wel. Het plan van de universiteiten van Leiden, Delft en Rotterdam is een realistische ambitie. Ze zijn grotendeels complementair. Dit maakt inhoudelijke keuzes gemakkelijker. Alle drie zijn het internationaal sterke merken. Dit kan worden versterkt door associatie met de anderen. Door de geografische ligging kunnen mensen, kennis en faciliteiten eenvoudig worden gedeeld. Het wordt een ‘Nederlands Berkeley’, waar wordt getracht om door specialisatie en differentiatie de kwaliteit van onderwijs en onderzoek te vergroten. Afstudeerders en onderzoekers ontwikkelen uitstekende expertise. Die kunnen ze breed toepassen. Dergelijke vernieuwing is hard nodig. De durf hiertoe was lang afwezig.

De universiteiten verdienen de kans om een topuniversiteit te bouwen. Geef hun alle ruimte om te doen wat nodig is. Differentieer tussen top- en goede studenten, tussen topwetenschappers en docenten. Beoordeel en beloon op meer criteria dan publicaties. Beloon topwetenschappers beter, met meer salaris, meer waardering en status en meer vrij onderzoeksgeld. Trek meer geld aan uit het bedrijfsleven of vraag hogere collegegelden. Kies voor specialisatie. De overheid zou deze universiteiten bij succes extra geld in het vooruitzicht moeten stellen, om vol in te zetten op Nederlands eerste en misschien wel beste kans in lange tijd op een topuniversiteit.

Benno van Dongen is partner bij Roland Berger Strategy Consultants. Jaron Weishut is senior consultant bij Roland Berger Strategy Consultants. Jeroen Vugts is schrijver en adviseur. De auteurs waren betrokken bij de ideevorming over de fusie van drie universiteiten.