Brandpunt begint sterk met broedermoorden

Op zondag kan er maar beter niet te veel te gebeuren in de wereld. Werd aan het begin van het vorige televisieseizoen nog vol trots aangekondigd dat Nieuwsuur (NOS/NTR) zeven dagen per week ging uitzenden, sinds gisteren geldt dat niet meer voor de zondagavond. Dan is er geen enkele actualiteitenrubriek meer met nieuws van die dag.

Er is een verschuiving naar wekelijkse achtergrondprogramma’s per zuil, zoals het nieuwe De vijfde dag (EO) op donderdag, naar analogie van Altijd wat (NCRV) en Brandpunt (KRO), maar die zijn slecht toegerust voor brekend nieuws.

De wedergeboorte van Brandpunt, in de jaren 60 het beginpunt van de moderne televisiejournalistiek, bleek afgelopen seizoen al voor een kwaliteitsimpuls te zorgen, met goed gemaakte en vaak zinnige achtergrondreportages. De seizoensopening van Brandpunt gisteren had er drie, die zelf nieuws brachten.

Een aardige reconstructie door vier ministers uit het tweede paarse kabinet gaf inzicht in de paniek die door de gebeurtenissen van 11 september 2001 ontstond. Nog erger was volgens toenmalig premier Wim Kok (PvdA) de avond van de moord op Pim Fortuyn, toen hij door een rabiate meute voor moordenaar werd uitgescholden. Hij noemde het „de bitterste momenten” in zijn bestaan. Ook sprak hij zijn zorg uit over de nieuwe neiging tot protectionisme, die Europa zeventig jaar terug zou werpen.

Twee andere reportages lichtten Limburgse tegels. Verslaggevers wisten de hand te leggen op een ambtsbericht van een officier van justitie, die het sepot van de aanklacht tegen Tweede Kamerlid Dion Graus (PVV) betreurde. Uit de stukken blijkt dat de dierenvriend in 2002 zijn toenmalige zwangere vrouw ernstig zou hebben mishandeld: zij noemde hem „als een weerwolf zo wild”.

Nog vreemder is de ontrafeling van wat Brandpunt „het mysterie van Heel” noemt. Om meer helderheid te krijgen in de oorzaken van de overmatige sterfte in het jongenstehuis voor gehandicapten St. Joseph (1952-‘54) streek verslaggever Fons de Poel enkele dagen neer in de dorpsherberg. De bewoners van Heel zijn unaniem vol lof voor de broeders van destijds. Met name broeder Augustinus was „een heilige man”.

Des te harder komt de getuigenis aan van Nico van Hout, die eind jaren zestig hoofdverpleegkundige werd in St. Joseph. Uitgerekend broeder Augustinus vertelde hem toen: „Die broeder voor mij, die heeft er een twintig doodgemaakt.”

Van Hout trekt voor de camera deurtjes van zijn boerenkast open om te illustreren hoe het hem toen werd gedemonstreerd. Achter de ene deur stonden de kisten, die deur daarnaast was de sterfkamer.

Ook de instellingsarts had hem bevestigd dat het een verschrikking was geweest, want je kunt niet op elk overlijdenscertificaat ‘hartfalen’ invullen. Maar je kunt het de broeders niet verwijten „dat er een gek tussen zat”.