Bij het Waterlooplein

Amsterdam, dierbare stad, want er gebeurt altijd wat. Zelfs als je, zoals ik, op zondagmiddag op weg bent naar het Joods Historisch Museum bij het Waterlooplein.

Ter hoogte van de Oudemanhuispoort passeren mij twee jonge vrouwen, vermoedelijk studentes, op één fiets. Een junk fietst hen tegemoet en roept: „Dames, fiets te koop!” De vrouwen fietsen door terwijl de vrouw op de bagagedrager tegen de ander zegt: „Ik heb eigenlijk wel een fiets nodig.”

Wat er dan precies gebeurt, onttrekt zich aan mijn waarneming, maar feit is dat de junk mij vijf minuten later zónder fiets achterop komt. Hij loopt er gehavend bij in zijn groezelige hempje en met magere, fladderende armen, overdekt met zoveel tatoeages dat zelfs Ajacied Theo Janssen er jaloers van zou worden. Voor zijn omgeving heeft hij geen aandacht, met uitzondering van de her en der gestalde fietsen die hij met kennersblik op de mogelijkheid van snelle diefstal scant.

We naderen het Waterlooplein waar het vergeven is van politie. Overvalwagens, postende politiemannen. Zal mijn junk zelfs onder het wakend oog van deze politiemacht doodgemoedereerd doorgaan met fietsendiefstal? Nee, hij is wel wijzer. Langzaam dwaalt hij af langs de Amstel.

Mijn aandacht wordt nu opgeëist door zware motoren. Harley Davidsons, als ik het goed zie, banen zich brullend een weg tussen honderden nieuwsgierigen op het Waterlooplein. De bestuurders zijn bijna allemaal mannen, vaak op tamelijk gevorderde leeftijd met bijbehorende bierbuik, grijzende knevel en alweer die tatoeages, zo langzamerhand dé nationale huidaandoening.

Voor mij vertegenwoordigt dit type motorrijder vooral de man die altijd te verlegen voor de meisjes is geweest en zijn minderwaardigheidscomplex nu compenseert met een machine waarop hij toch nog de bink kan uithangen. Zie en hoor mijn ziedende apparaat, maak dat je wegkomt of ik penetreer je.

De toeschouwers staan nogal geïmponeerd toe te kijken, terwijl de rijders één voor één wegscheuren. Je weet dat je hier in een omgeving bent waar je geen ruzie moet zoeken. Daarom is er ook zoveel politie, begrijp ik. De heren zijn van rivaliserende motorclubs, de Hells Angels en Satudarah, en zouden van plan zijn elkaars motor te vernielen, zoals ze dat vroeger met elkaars step deden.

Maar er gebeurt niets gewelddadigs, wat – ik moet het toegeven – nogal een anticlimax is. Het is alsof twee beroemde zwaargewichtboksers hun gevecht om de wereldtitel vervangen door gezamenlijk touwtje te springen in de ring.

Het enige wat mij nu nog kan boeien is de Amsterdamse verkeerspolitie. Die staat, vijf man sterk, toe te zien hoe de motorrijders op de openbare weg zelf het verkeer regelen. Om ongehinderd het Waterlooplein te kunnen verlaten, moeten de rijders het civiele verkeer van auto’s en en fietsers regelmatig tot staan brengen. Twee fors gebouwde motormannen, vergezeld van een jongetje, kwijten zich een poos van deze taak. Ze stappen telkens met dwingende handgebaren de rijweg op om het verkeer af te stoppen.

„Is dat afgesproken?” vraag ik een politieman. Hij knikt. „Ze zouden zelf voor de veiligheid zorgen.” Hij kijkt me tevreden aan. „Ik zou het zelf niet beter doen.” Ik neem het graag van hem aan, maar vraag me toch even af wat burgemeester Van der Laan straks moet zeggen als hier een ernstig ongeluk gebeurt. „Het leek ons wel een nuttig experiment”?