Bartók Marathon toont bravoure

Bartók Marathon, Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam. Gehoord: 3/9. ****

Intern verkeert het Muziekgebouw aan ’t IJ financieel en organisatorisch in de problemen. Maar de wijze waarop aldaar het muziekseizoen werd geopend, getuigt van een artistieke bravoure waar in de toekomst hopelijk ruimte voor blijft.

Zaterdag klonken er drie concerten met in totaal zo’n 235 minuten muziek van Béla Bartók – en niet zijn makkelijkste werken. Zelfs bij het uitbundig volkse Contrasten, uitgevoerd door leden van Asko|Schönberg, worden stampende ritmiek en gierende klarinetuithalen ingekapseld in een streng doorwrochte structuur. Liza Ferschtman schitterde in de Sonate voor viool solo met extreme uitersten tussen felle intensiteit en ijle onthechting – maar eenvoudiger verteerbaar werd de stekelige sonate daarmee allerminst.

Het introverte Keller Kwartet opteerde voor minder extremen in hun heroïsche marathonuitvoering van alle zes strijkkwartetten van Bartók. Een verstandige strategie. Weliswaar klonk het Eerste strijkkwartet ’s ochtends nog iets te flegmatisch; toch blonken de Hongaren hier al uit in klankpuurheid, met spaarzaam vibrato en fijnzinnige soli van primarius András Keller.

De spanningsboog werd zo over een hele dag uitgerekt. Het Derde strijkkwartet was een fijn weefsel waarin vlijmscherpe inkervingen werden gemaakt, het bij vlagen hardvochtige Vierde mocht grommen en verschoot schichtig van klank.

Alvorens een lang applaus losbrak, klonk het slotdeel van het laatste kwartet aangrijpend dof en desolaat: een labyrint zonder uitgang.