Vriendjespolitiek is toch zo slecht nog niet?

Jammer dat Herman Vuijsje zo’n absolutistisch verwijtend standpunt inneemt inzake het ambtelijk gedrag van Mariko Peters (Opiniepagina, 29 augustus): ‘Belangenverstrengeling mag vanaf nu. Iedere ambtenaar die een gunst verleent kan dankzij Peters een onderzoek eisen’, zo kopt het artikel.

Maar verleende Peters wel een gunst?

Inderdaad, belangenverstrengeling mag niet. Je mag als ambtenaar je kind, opa, of vrijer niet bevoordelen.

Een ambassadeur en zijn personeelsleden mogen dat evenmin als anderen.

Maar wat zien we tegenwoordig? Onze ambassades zijn geworden tot belangenbehartigers van het Nederlandse bedrijfsleven en beoordelen ook ontwikkelingswerk meer en meer op het criterium of onze uitgaven en de resultaten ons wel voldoende ten goede komen. Dus: belangenverstrengeling.

Toch blijft de belangrijkste vraag voor onze beoordelaar in zo’n ver-van-ons-bed-land of je je ontwikkelingspartner wel kunt vertrouwen. Dat is razend moeilijk te beoordelen.

Prachtig dus dat een geliefde die de partner-ontvanger goed kent, en die je uiteraard bij uitstek vertrouwt, tussen jou en die ontwikkelingspartner komt staan. Een sprong over de omheining van de ambassade is dikwijls zeer moeilijk, zeker in een land als Afghanistan.

Toen ik in Mali werkte en er in mijn werkgebied een lokale hongersnood optrad, stelde minister voor Ontwikkelingssamenwerking Jan de Koning op basis van een telefoongesprek met mij zonder veel omhaal aan de Malinese regering een miljoen gulden beschikbaar.

Hij kende mij goed, had vertrouwen in mijn oordeel en handelen. Vriendjespolitiek?

Zoiets zou nu niet meer mogen. Worden wij daar beter van?

Dr. Michel van Hulten

Lelystad