Nederland, het land van Ot en Sien

Geschiedenis Niet stedelingen gaven tussen 1750 en 1850 de toon aan in de Lage Landen, maar landheren en boeren. Zij drukten een onuitwisbaar stempel op de Nederlandse geschiedenis.

Dirk Vlasblom

De Randstad en de rest, zo zien de meeste stedelingen Nederland. In hun ogen houdt het achter Amersfoort en onder Rotterdam op. Voor hen staat de stad boven het platteland, is het stadse leven een hogere vorm van bestaan. Ook historici zijn behept met dit vooroordeel. Het proces van verstedelijking – dat in Europa begon in de dertiende eeuw – wordt gezien als dé maat voor modernisering. Maar verstedelijking is nooit eenrichtingsverkeer. Steden komen op en raken in verval. Urbanisatie is in de loop der geschiedenis steeds begeleid door ontstedelijking. Geschiedschrijvers kijken alleen naar succesverhalen en hebben stedelijke achteruitgang nooit opgenomen in hun modellen. Vier Utrechtse historici hebben dit nu voor het eerst wél gedaan.

“Alle grote steden die sinds de late Middeleeuwen zijn ontstaan hebben wel een periode van verval gekend voordat ze in de twintigste eeuw weer in de algemene vaart werden meegezogen. Een vroeg geval van urbanisatie én van stedelijk verval is de Republiek der Verenigde Nederlanden. Die casus hebben wij bestudeerd. Niet de hele toenmalige Republiek, dat gaat niet. We kozen voor Zeeland en hoopten dat we op basis van het Zeeuwse materiaal iets méér zouden kunnen zeggen. Over ontstedelijking, en tegelijkertijd over de geschiedenis van Nederland.”

Aan het woord is Wijnand W. Mijnhardt, hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Met de historici Paul Brusse, Arno Neele en Jeanine Dekker nam hij deel aan het door NWO gefinancierde onderzoeksproject Balans tussen stad en platteland. Onder die titel kwam deze zomer een vierdelig boek uit. Daarin laten de onderzoekers zien dat de periode 1750-1850, anders dan tot nu toe werd gedacht, geen sombere bladzijde was in onze geschiedenis. Toen werd juist het fundament gelegd van het hedendaagse Nederland.

Semimonarch

In zijn werkkamer aan het Utrechtse Janskerkhof vat Mijnhardt de bevindingen samen: “Wat maakte dat Nederland werkte? Vóór 1750 waren dat de steden en na 1750 was dat het platteland. Vóór 1750 waren het de burgers in het westen, na 1750 de adel in het oosten. Vóór 1750 was de stadhouder dienaar van de Staten, daarna werd hij een semimonarch.”

Het Utrechtse viertal breekt met de geijkte periodisering van de Nederlandse geschiedenis. Nuanceringen zijn er wel geweest, maar het basismodel kwam steeds hierop neer. De Nederlandse geschiedenis kent een bloeiperiode tot het eind van de zeventiende eeuw, daarna gaat het een tijd minder en vanaf het eind van de negentiende eeuw, met het op gang komen van de industrialisering, pakken we de draad weer op.

Dat beeld is volgens Mijnhardt afgeleid van twee Europese modellen. “Engeland leverde het model van de economische modernisering, Frankrijk dat van de politieke modernisering. In de periode dat de geschiedschrijving opkwam als academische discipline waren dat immers de twee dominante landen in Europa.”

Paul Brusse, die ook bij het gesprek aanzit, vult aan: “Economische historici hebben de laatste jaren de negentiende eeuw en de tweede helft van de achttiende eeuw opnieuw bekeken. Die economische neergang, schreven ze, was relatief. Wij gaan een stap verder. We laten zien dat het geen neergang was, maar een verschuiving, een ruralisering van economie en samenleving. Dat is een heel andere kijk op de geschiedenis.”

Nieuw in het Utrechtse model is de opkomst van het platteland. Wageningse onderzoekers hadden al eerder gesignaleerd dat het daar na 1750 heel goed ging, maar hebben er geen consequenties aan verbonden. Brusse: “Wij hebben de neergang van de steden en de opkomst van het platteland in deze periode gecombineerd in één model.”

Urbanisatiegraad

Rond het jaar 1700, toen nog maar 8 procent van de Europeanen in steden woonde, bedroeg de urbanisatiegraad in de Nederlandse Republiek 34 procent. Dat record zou industrialiserend Engeland pas in de negentiende eeuw breken. En tegen die tijd verkeerden de meeste Nederlandse steden in een deplorabele staat. Het verval ging soms heel snel. In 1795, toen de Fransen de Republiek binnenvielen, telde Middelburg 17.700 inwoners. In 1807 was het daarvan al een kwart kwijtgeraakt.

Mijnhardt: “Het is stof voor een roman. Probeer je dat eens voor te stellen: alles wat je lief en dierbaar is in zo’n stad stort in.” Brusse: “Iets soortgelijks gebeurde in Amsterdam, dat in 1795 nog 220.000 inwoners had, maar er in korte tijd 40.000 verloor. Enkhuizen ging al veel eerder die eeuw van 22.000 naar 6.000 inwoners. Wij hebben voor Zeeuwse steden geprobeerd te achterhalen waar al die mensen gebleven zijn, maar dat bleek onbegonnen werk.”

Het Utrechtse onderzoeksteam maakt een onderscheid tussen ontstedelijking en stedelijk verval. Het eerste is een demografische verschuiving op regionaal niveau: de stadsbevolking neemt af in verhouding tot die van het omringende platteland. Stedelijk verval is het gevolg van de emigratie van vooral welvarende lieden die een sleutelrol speelden in handel, zeevaart en nijverheid, waardoor de economische structuur van een stad verzwakt.

De oorzaken verschilden van stad tot stad. Brusse schetst een paar scenario’s: “Steden vallen uit het handelsnetwerk, dat is één oorzaak. Middelburg was een stad met een groot eigen netwerk, dat zich uitstrekte van Europa tot Afrika en West-Indië. Middelburgse kooplui handelden in slaven, ivoor, goud en zilver, in specerijen, wijn, koffie en suiker. Een groot deel van het Vlaamse linnen werd uitgevoerd via Middelburg. De stad raakte zijn handelspositie kwijt, onder andere doordat de Fransen een einde maakten aan de blokkade van de Schelde, die ruim twee eeuwen had geduurd. De schepen konden voortaan rechtstreeks doorvaren naar Antwerpen.

“Andere steden, bijvoorbeeld Leiden, raakten hun nijverheid kwijt omdat die naar gebieden trok waar de loonkosten lager waren – in dit geval Brabant. Steden die een sterke band hadden met het omringende platteland, zoals Leeuwarden, Groningen en Alkmaar, zagen hun bevolking vóór 1750 dalen, terwijl ze na 1750, toen de landbouwprijzen snel stegen, weer groeiden.”

Na 1750 dankte Nederland zijn relatieve welvaart niet meer in de eerste plaats aan handel en industrie, maar vooral aan de landbouw, schrijven de Utrechters. Maar dat wisten we toch al? Alle generaties die in de twintigste eeuw naar school gingen, hebben geleerd dat Nederland tot de Tweede Wereldoorlog een agrarisch land was, bevolkt door zulke kinderhelden als Ot en Sien – uit Drenthe – en Dik Trom – uit het landelijke Hoofddorp. Mijnhardt: “Zeker. Tijdgenoten uit de negentiende eeuw zagen de kloof tussen de alledaagse werkelijkheid van Ot en Sien en de door historici verheerlijkte Gouden Eeuw wel degelijk, maar geschiedkundigen pikten dat niet op.”

Zuivelexporteur

Aan het begin van de negentiende eeuw werd Nederland een exporteur van landbouwproducten. Het voerde onder andere uit naar Engeland, dat snel groeide en zelf niet genoeg voedsel kon produceren. Brusse: “De fundamenten van die moderne exportlandbouw zijn al in de Republiek gelegd. Omdat de Verenigde Oost-Indische Compagnie en de Amsterdammers graan invoerden uit het Oostzeegebied, konden de boeren in Holland en Friesland zich toeleggen op melkveehouderij, en juist die producten werden massaal uitgevoerd. En we zijn nog steeds een zuivelexporteur van de eerste orde.”

Mijnhardt: “De rollen werden omgedraaid. In de zeventiende eeuw kon Nederland moderniseren in de steden en zijn landbouw specialiseren dankzij graanimporten uit het Balticum. Het drassige weidegebied van Noord-Holland kon je voor weinig andere dingen gebruiken dan voor het vetweiden van koeien en ossen. En dat deed men met veel succes. De koeien werden ingevoerd uit Denemarken. Vervolgens werden die verwerkt tot droogvlees voor de vele schepen die in Amsterdam bevoorraad moesten worden. In de achttiende en de negentiende eeuw ging Nederland op zijn beurt een soort Baltische rol vervullen voor industrialiserend Engeland.”

Met het economische zwaartepunt verschuift ook de politieke macht in de achttiende-eeuwse Republiek, van west naar oost, van stad naar platteland. En na 1750 wordt de macht van de stadhouder, voordien niet meer dan een dienaar van de Staten Generaal, steeds groter. Mijnhardt: “Nu was die Willem V geen creatieve geest; hij vond het veel belangrijker om zich aan alle coutûmes en usances te houden dan gebruik te maken van zijn nieuwe mogelijkheden. Maar de edellieden om hem heen zagen hun kans schoon. De adel ging een rol spelen die we nog nooit hadden gekend in de Nederlandse geschiedenis.”

Brusse knikt: “Die hadden enorm veel grond en werden stinkend rijk van die pachtgelden die maar verdubbelden. En de boeren konden die betalen omdat ze door de stijgende landbouwprijzen goed verdienden. Adellijke heren kregen burgemeestersfuncties, en in die rol hebben ze zich met de economie van hun gemeente bemoeid. Ze deden aan machtsvorming en werkten aan economische ontwikkeling. Ze bekleedden ook vaak bestuursfuncties in de regionale boerenleenbank en in coöperaties.”

Zeventiende-eeuws Nederland had twee gezichten: een adelsrepubliek en een burgerrepubliek. De eerste stond een tijd in de schaduw van de tweede, maar toen Holland in de loop van de achttiende eeuw in verval raakte, werden de rollen omgedraaid. Mijnhardt: “Al in de zeventiende eeuw kochten stedelijke patriciërs buitens. Dat waren zomerverblijven, geen hoofdkwartieren van ondernemingen. Hollandse en Gelderse stedelijke families kochten na 1750 steeds meer grond rond hun zomerhuis, waardoor ze zich konden profileren als adellijk. Veel van die families zijn na 1815 ook in de adelstand verheven, toen er met de koning weer een adelvormende instantie was.”

Wapenborden

De Bataafse Revolutie van 1795, een tijdlang een keerpunt in het nationale verhaal van Nederland, speelt in het Utrechtse model een relatief geringe rol. Want die deed nauwelijks afbreuk aan de groeiende macht van de adel. Mijnhardt: “Het bleef bij symboliek. Hier en daar moesten wapenborden en graftomben het ontgelden, maar over het algemeen is de adel bijzonder weinig in de weg gelegd. Dat kon ook niet, want de Patriotten waren er uitstekend van doordrongen dat landbouw een van de plechtankers was geworden van de Nederlandse samenleving.” Brusse vult aan: “In de Bataafse en Franse periode kregen de boeren meer macht, want die werden rijk.”

Tot 1848, schrijven de Utrechters, is Nederland een staat geregeerd door de adel. Dan rijst de vraag of we aan die binnenlandse krachtsverhoudingen onze monarchie te danken hebben. Mijnhardt: “Ik ben geneigd die vraag met ja te beantwoorden. We hebben die monarchie lang gezien als een soort bedrijfsongeluk, waarvoor we niet echt een verklaring hebben. Een beetje Napoleon, een beetje de tijdgeest. Het Congres van Wenen, conservatief als het was, wilde het ook. Dat speelde een rol, maar doorslaggevend was toch dat er geen binnenlandse krachtsverhoudingen meer waren die zich ertegen verzetten.”

Een groot deel van de stedelijke elite in het westen zag hoe de verhoudingen door de verzwakking van Holland waren verschoven. Die mensen hebben de huik naar de wind gehangen en voor hun machtsbasis veel meer op het platteland gewed dan vóór die tijd. En de adel was een steunpilaar van de jonge monarchie. Mijnhardt: “Voor mij was het echt een eye-opener dat de presentie van de adel in de Eerste en Tweede Kamer tot 1848 zo groot was.”

Historici hadden sinds de negentiende eeuw de neiging om een continuïteit te construeren tussen de Gouden Eeuw en het heden. Alsof er een ononderbroken lijn liep van zeventiende-eeuwse stedelijke burgerzin, tolerantie, handelsgeest en wetenschap naar het Nederland van de eigen tijd. Volgens de Utrechtse onderzoekers bestaat die continuïteit niet.

Mijnhardt: “Er gebeurde in Nederland iets heel bijzonders in de periode 1670-1730. Na 1670 probeerde Lodewijk XIV de almacht in Europa te verwerven. Dat leidde ertoe dat heel Europa tegen hem in opstand kwam. De Republiek was het centrum van die oppositie. Spionnen, ambassadeurs, vluchtelingen en intellectuelen kwamen overal vandaan naar de Republiek. Dat was een bijzondere constellatie, met als hoogtepunt de periode van 1685, toen de Hugenoten werden verjaagd uit Frankrijk, tot 1720. Een enorme immigratie, mensen die overal in Europa verdreven werden. En in de Republiek kon alles, eventjes.”

Verdraagzaamheid

Die spreekwoordelijke Nederlandse verdraagzaamheid, zegt Mijnhardt, was gelegenheidstolerantie, een arrangement. “En die zijn vaak veel solider dan hooggestemde idealen. Dat arrangement werkt door tot 1740, 1750. Dan is het voorbij, tot ver in de jaren zestig van de twintigste eeuw. Niet dat minderheden in de tussentijd vervolgd werden, maar na 1770 ken ik geen intellectueel van betekenis meer die hier is neergestreken. Alleen maar mensen die Nederland verlaten hebben.”

Pas in de jaren zestig van de twintigste eeuw gaat de nieuwe culturele elite die verdraagzaamheid weer grote betekenis toekennen. Mijnhardt: “Dan ontstaat het idiote denkbeeld dat Nederland permanent een tolerant land is geweest. Alle historische theorieën zijn constructies, het gaat om het maatschappelijk draagvlak. Dat was in de jaren zeventig, tachtig en negentig bijzonder groot en nu begint het weer af te kalven.”

Het rurale gezicht van Nederland, dat de Utrechtse historici laten zien, is nog altijd zichtbaar. Mijnhardt: “Het platteland is nog steeds veel groter dan we denken. De wereld van Ot en Sien is intussen keurig onderhouden, je komt bijna nergens meer een bouwvallige boerderij tegen, want die zijn allemaal opgekocht en verbeterd. Maar achter Amersfoort is Nederland platteland. Ik woon in Culemborg en mijn kinderen kwamen op school leeftijdgenoten tegen die nooit verder dan een paar kilometer uit de buurt waren geweest. En als je kijkt naar geldwaarden is Nederland nog steeds de tweede of derde exporteur van agrarische producten in de wereld. Zeer hoogwaardige, dat wel.”

Brusse: “De structuren zijn nog goeddeels dezelfde. Frappant is de blijvende dominantie van de Randstad sinds de late Middeleeuwen. Het patroon is nagenoeg onveranderd: agrarisch in het oosten, urbaan in het westen. De landbouw is nog steeds een centrum van politieke macht, met al die landbouworganisaties en het CDA. Dat Groene Front heeft negentiende-eeuwse wortels. En de Rabobank, opvolger van de regionale boerenleenbanken, noemt zich de grootste zakenbank van Nederland.”