Musea en film populair

In toenemende mate is Nederland een natie van cabaretliefhebbers. Bioscoop en museum blijven populair. Bij klassieke concerten is de loop er uit – het hoeft niet meer voor de status. Dat stelt het Sociaal en Cultureel Planbureau, dat langlopend onderzoek naar ‘cultuurconsumptie’ doet.

Het bezoek aan kunstmanifestaties en kunstinstellingen heeft de afgelopen decennia gelijke tred gehouden met de bevolkingsgroei, maar ook niet meer dan dat, alle overheidsprogramma’s op het gebied van ‘cultuurparticipatie’ en de bouwwoede van landelijke en lokale overheden op het gebied van culturele instellingen ten spijt.

„Hoe komt het toch dat meer aanbod, meer inkomen, meer educatie en bevorderingsbeleid voor de kunsten niet hebben geleid tot meer belangstelling voor de kunsten?” is de vraag die onderzoekers bij het Sociaal en Cultureel Planbureau zich al jaren stellen.

De laatste cijfers waarover het SCP beschikt dateren uit 2007, maar er is geen reden om te denken dat de situatie sindsdien essentieel veranderd is, denkt SCP’er Andries van den Broek.

Binnen de constante van het bezoek aan cultuur zijn er wel verschuivingen. Zo zitten bezoek aan popconcerten en cabaretvoorstellingen duidelijk in de lift, en in mindere mate ook museumbezoek. Theater, ballet en galeriebezoek zijn ongeveer constant. „Maar de sector die zich echt zorgen moet maken is die van de klassieke concerten”, denkt Van den Broek. De belangstelling daarvoor bleek in 2007 procentueel al met ongeveer 20 procent afgenomen ten opzichte van 1995.

Het aandeel Nederlanders dat in een jaar ten minste één manifestatie van pop, jazz of musical had bijgewoond steeg van een kwart in 1995 naar een derde in 2007, cabaret steeg in dezelfde vergelijking van 11 naar 15 procent, en museumbezoek van 17 naar 20 procent.

Galeriebezoek en professioneel theater/ballet bleven ongeveer constant op respectievelijk 20 en 14 procent.

Wat bij deze gegevens onmiddellijk opvalt, is dat de sectoren ‘in de lift’ zich nauwelijks in belangstelling van de overheid kunnen verheugen. „De overheid heeft nog nooit geklaagd dat er te veel of te weinig punkbandjes zijn”, zegt Van den Broek.

Hetzelfde geldt voor cabaret. De nulgroei zit juist bij de ‘hogere, gecanoniseerde’ kunst die sinds de Tweede Wereldoorlog nu juist zo nadrukkelijk is bevorderd – in overeenstemming met het sociaal-democratische ideaal van volksverheffing door het verlagen van de drempel voor hogere cultuur en door het meer christen-democratisch streven de hogere cultuur zo veel mogelijk ook regionaal te spreiden.

Het resultaat van al deze inspanningen lijkt dus dat – in het gunstigste geval – de ‘passieve’ of ‘receptieve’ cultuurparticipatie van de Nederlander aardig op peil is gebleven, met lichte verschuivingen in zijn belangstelling.

Evenmin als van groei, is er sprake van een significante verschuiving in het sociale profiel van de cultuurconsument. De bezoeker van Paradiso verschilt in zijn sociaal profiel niet essentieel van die van het Concertgebouw: hoger opgeleid, autochtoner, grootstedelijker en vrouwelijker dan de gemiddelde Nederlander.

Wel is er verschil in leeftijdsopbouw bij de verschillende sectoren. Die voor klassieke concerten is bijvoorbeeld relatief oud, wat volgens Van den Broek „geen onmiddellijk probleem hoeft te zijn, gezien de omvang van de naoorlogse geboortegolf. Tot het volume van die golf afneemt, natuurlijk.” Zelf behoort hij met zijn 52 jaar tot een generatie „die net zo makkelijk naar Paradiso gaat als naar het Concertgebouw. En als mensen eenmaal een bepaald patroon hebben opgebouwd, dan houden ze daaraan vast. Als je wilt weten hoe over twintig jaar de zeventigjarigen zich zullen gedragen, moet je niet kijken naar de zeventigjarigen van nu, maar naar de vijftigjarigen van nu.”

En zo komen we vanzelf bij de oorzaken van de teleurstellend constante belangstelling voor de kunsten. Dat had men zich zo rond 1970 heel anders voorgesteld: met het stijgen van het opleidingsniveau van de Nederlander – meer competentie – kon de belangstelling voor de kunst alleen maar groeien. Bovendien zou die Nederlander meer te besteden hebben en meer vrije tijd krijgen. De onderwijsexpansie moest wel leiden tot culturele expansie.

Die verwachtingen zijn niet uitgekomen, weet Van den Broek. „Die gedachte aan steeds meer vrije tijd ging uit van de gedachte dat mensen met minder werken ook genoegen zouden nemen met minder welvaart. Maar in werkelijkheid meten mensen hun consumptie af aan de welvaart van anderen, en willen ze de snufjes die anderen ook hebben. Je kunt bovendien niet als enig land een soort slow economy invoeren.”

Tweede factor is volgens Van den Broek de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen en daarmee de toename van het aantal huishoudens met tweeverdieners. In al die huishoudens is het aantal vrije uren met de jaren drastisch afgenomen.

Tegelijk is het aantal mogelijke activiteiten binnen die slinkende uren vrije tijd drastisch toegenomen – meer competitie. Van den Broek: „Meneer de notaris deed vroeger vooral dingen die bij zijn status hoorden, concertbezoek bijvoorbeeld. Maar met de informalisering van de samenleving is cultuur wat dat betreft van zijn voetstuk gevallen. Meneer de notaris trekt nu zonder schroom een raar pakje aan en gaat op de racefiets zitten.” En dit verlies aan statusbinding doet zich ook binnen de culturele sector voor: een popconcert bijwonen, een stripboek lezen, naar een musical gaan – niemand hoeft dat meer stiekem te doen.

Opgeteld is er dus sprake van een scherpe concurrentie om tijd en aandacht: er is in minder vrije tijd meer te doen. Binnen die vrije tijd is cultuur een optie als andere geworden, en binnen die cultuur is er dan nog een verschuiving naar uitingen die meer tot de ‘populaire’ dan tot de ‘hogere’ cultuur behoren.

Het culturele leven bestaat niet alleen uit bezoek, maar ook uit beoefening. Al jaren doet circa de helft van de Nederlanders van zes jaar en ouder in de vrije tijd aan enigerlei vorm van kunstbeoefening. Een kwart doet dit zelfs wekelijks; 16 procent heeft recent les gevolgd. Deze ijver heeft gevolgen voor de aanbodkant in de cultuur. „Het is bijna ingebakken: er is een permanent overaanbod aan cultuur, omdat velen het zo leuk vinden het te produceren”, zegt Van den Broek.

Dit, in combinatie met een overheidsbeleid dat het professionele culturele voorzieningenniveau sneller heeft laten groeien dan de bevolking, zorgt voor een „structureel overaanbod”. „Als de belangstelling dan niet meegroeit met het aanbod, zijn er naast goed draaiende instellingen ook zalen die niet vol zitten, dat is een ingebouwde spanning waar de overheid mede verantwoordelijk voor is. Dat kan mensen op het idee brengen daar eens een andere wind te doen waaien, maar roept ook wel de vraag op in welk tempo je er een cultuuromslag richting meer marktwerking denkt te moeten realiseren.”