Kunst moet overtuigen

Het blijkt onmiskenbaar uit een enquête in opdracht van deze krant: anders dan vaak wordt beweerd, interesseren Nederlanders zich wel degelijk voor kunst. Tweederde van de respondenten verklaarde in de afgelopen drie maanden een of meer voorstellingen, musea of concerten te hebben bezocht.

Even onmiskenbaar komt uit dezelfde enquête naar voren dat ruim de helft van de Nederlanders onderschrijft dat de kunsten wel eens wat meer rekening kunnen houden met hun afzetgebied. Het lijkt erop dat het publiek zich nogal eens buitengesloten voelt. Dat mag de kunstsector zich aantrekken. Kunst gericht op gelijkgestemden steriliseert zichzelf en blaft een eventueel geïnteresseerd publiek af.

Dat is daar niet van gediend en spreekt uit dat kunst waar nauwelijks publiek voor is, geen ondersteuning verdient. Dat is navoelbaar, waarom belastinggeld besteden aan iets waar zo weinigen op zitten te wachten? En aan dit bezwaar kan vaak gehoor worden gegeven, bijvoorbeeld door subsidie te koppelen aan bewezen succes. Maar niet altijd. Soms zal het voordeel van de twijfel gelden of het instinct van degenen die bepalen wie subsidie krijgt. Want helaas: wat in de sport een meetbare kwestie is van seconden of punten, ligt in de kunsten nogal eens troebel. Niet alle publieksbereik voegt zich immers naar heldere wetten. Zowel flop als succes kan op een grillige manier toeslaan. Het vaak aangehaalde voorbeeld van Vincent van Gogh illustreert dat: bij zijn leven kon zijn broer Theo, die hem subsidieerde en daar zelf bijna aan onderdoor ging, zijn schilderijen niet verkopen. Het publiek vond ze dwars en onaantrekkelijk. Gelukkig onderkende Theo tegen de klippen op Vincents kwaliteiten. Wereldwijd geliefd werd zijn werk, en onbetaalbaar kostbaar. Onbereikbaar voor de gewone mens zou het zijn geworden als er geen museum bestond dat, gesubsidieerd door het Rijk en door weldoeners als de BankGiroLoterij, het mogelijk maakt dat iedere Nederlander die dat wil er binnen de eigen grenzen van kan genieten.

Wat wordt geëist van kunst en cultuur hangt af van wat daaronder wordt verstaan en dat verschilt nogal. ‘Vermaak’, antwoordt 40 procent, ‘erfgoed’, vindt 20 procent, maar erfgoed is een wankel begrip. Horen de Composities van Mondriaan daartoe? Beslist niet, zegt de een. Juist wel, zegt de ander. Voor sommige ondervraagden is kunst iets waaraan zij inzicht in mens en maatschappij ontlenen. Voor iets minder dan 12 procent betekenen kunst en cultuur ‘niets’. En iedereen heeft gelijk. Voor al deze opvattingen zijn passende vormen van cultuur. Zelfs wie denkt dat de cultuur hem niets doet, schafte bij de Hema wellicht een beker aan met een afbeelding van Jip en Janneke. En werd zonder dat hij er erg in had verleid door kunstenaar Fiep Westendorp.

De krimp van de kunstsubsidies leidde de afgelopen maanden tot ontreddering, frustratie en woede – bij de kunstsector. Het publiek, dat de musea, muziekzalen, theaters bezoekt en dus van die subsidies profiteert, protesteerde nauwelijks. Het maakte zich geen zorgen. De argumenten van het kabinet voor de kunstbezuinigingen werden met instemming of onverschillig begroet. Uit de enquête van deze krant blijkt iets vergelijkbaars. Veel mensen verklaren dat er te veel geld naar de kunsten gaat en dat ze daar te weinig voor terugkrijgen.

Maar er is meer. Eenderde van de ondervraagden wil best meer betalen voor een kaartje. En eenderde vindt het mecenaat een goed idee. De helft wil zelfs zijn verbondenheid met een bepaalde kunstvorm bevestigen door zelf weldoener te worden.

Een ondervraagde studente constateerde: „Kunst maakt de wereld vrolijker.” Dat is de essentie. Overtuigen de kunsten de Nederlanders daarvan, dan doen die Nederlanders iets terug. Dan is kunst, moeilijk, makkelijk of onopgemerkt, iets waard.