De eerste aller Bijlmers

Le Corbusier ontwierp in 1947 in Marseille de eerste betonnen flat. Bernard Hulsman logeerde er. ‘De grote troef is de daktuin.’

"Ah, je gaat dus in de Bijlmer met vakantie”, zei een collega toen ik hem de Unité d’Habitation in Marseille liet zien. Dit geheel betonnen flatgebouw van Le Corbusier zou onze eerste bestemming van de zomervakantie in Zuid-Frankrijk worden. Vijf nachten in een ‘mini suite’ voor twee volwassenen en twee jongens hadden we gereserveerd in Hotel Le Corbusier, dat 23 kamers heeft in het beroemdste woongebouw van de 20ste eeuw.

Hoewel de Unité met 337 woningen veel kleiner is dan een Bijlmerflat, had de collega niet helemaal ongelijk. Cité radieuse wordt de Unité d’Habitation genoemd in Marseille, naar een stedenbouwbouwkundig plan van Le Corbusier (1887-1965) uit 1935. En het is waar: de Stralende stad is het invloedrijkste stadsontwerp van de 20ste eeuw, de moeder van alle Bijlmers over de hele wereld. Le Corbusier’s idee om machinemensen te laten wonen in wijken van hoge flatgebouwen te midden van overvloedig groen waar wonen, werken en ontspanning strikt van elkaar waren gescheiden, heeft tot veel van zulke buitenwijken geleid.

Wat Le Corbusier betreft moest de Unité d’Habitation in Marseille een model worden voor de wederopbouw van Frankrijk na de Tweede Wereldoorlog. In 1947 had hij de opdracht gekregen van het Franse ministerie voor Wederopbouw en Stedenbouw om een ‘collectief woongebouw’ te ontwerpen in Marseille. De aspiraties van Le Corbusier waren hoog. De in 1953 voltooide Unité moest niet zomaar een woongebouw met machines à habiter worden, maar een dorpje waar de ongeveer 1.200 bewoners een hechte gemeenschap zouden vormen. Oorspronkelijk wilde Le Corbuiser er een soort klooster van maken. Als het aan hem lag, zouden de appartementen geen keukens krijgen, zodat de Unité-bewoners gezamenlijk zouden eten in een zaal met gaarkeuken. Maar dat bleek te hoog gegrepen: uiteindelijk zijn alle appartementen uitgerust met compacte keukens.

Wel lukte het om van een van de zeven ‘rues interieures’, zoals de gangen in de Unité worden genoemd, een ‘winkelstraat’ te maken (zie inzet). Een groenteman, bakker, slager, kapper en andere winkeliers moesten ervoor zorgen dat de bewoners voor hun dagelijkse boodschappen het gebouw niet uit hoefden. Ook vertier konden ze in de Unité vinden. Het gebouw werd uitgerust met een filmzaal, een bibliotheek en een gymzaal op het dak. Hier bevinden zich ook een hardloopbaan van zo’n 300 meter, een openluchttheatertje en een pierebadje.

Fanatieke Corbusianen

Ruim vijfitg jaar later is er veel veranderd in de Unité. „Nee, u moet niet denken dat hier alleen maar fanatieke Corbusianen wonen”, zegt Katia Imbernon, eigenaar van de architectuurboekwinkel en uitgeverij Imbernon in de winkelstraat op de derde verdieping van de Unité. „Oorspronkelijk was de Unité bedoeld voor ambtenaren en daarvan wonen er hier nog steeds een flink aantal. Maar sinds de huurappartementen lang geleden koopwoningen zijn geworden, zijn er steeds meer creatievelingen komen wonen. Er wonen relatief veel architecten hier.”

Zelf woont Imbernon op de eerste verdieping. Van een echt gemeenschappelijk leven zoals Le Corbusier voor ogen stond is geen sprake, legt ze uit. „Verder dan het gebruik van een paar gemeenschappelijke ruimtes gaat het collectieve leven niet. Nee, de gymzaal op het dak hebben we niet meer. Die is onlangs gekocht door iemand die er een galerie van wil maken. Er zit op de achtste verdieping nog wel een kinderopvang. En op het dak geven we wel eens feestjes. Vrijdag is er een picknick, met een optreden van de zanger Bernard.”

Ook de winkelstraat is niet meer wat Le Corbusier voor ogen stond. Een groot deel wordt in beslag genomen door Le ventre de l’architecte, een duur liflafjes-restaurant met de receptie van Hotel Le Corbusier in een hoek. Verder zitten er nog een homeopathische arts, enkele architectenbureaus, een makelaar, een galerie en een kleine patisserie, zodat de bewoners voor hun dagelijkse boodschappen nu toch echt de straat op moeten.

Toch is de Unité wel een gemeenschap. Sterker nog, in wezen is het een gated community avant la lettre. Beneden, in de schitterende hal, zit dag en nacht een conciërge in een hokje om passanten in de gaten te houden. Erg streng zijn de portiers niet: architectuurtoeristen mogen naar de winkelstraat en het dak op. Maar daar staat tegenover dat het afgesloten karakter van de Unité wordt versterkt, doordat het gebouw, zoals zoveel scheppingen van Le Corbusier, op poten staat: de Unité is een zwevende doos met slechts één bewaakte toegang.

Le Corbusier vond de begane grond niet geschikt voor bewoning en wilde de tuin die het gebouw oorspronkelijk omringde onder het gebouw laten doorlopen. Dat is bij de Unité niet helemaal gelukt. Hoewel het gebouw op indrukwekkende betonnen ‘pilotis’ van acht meter hoog staat, is de ruimte eronder kaal en kil. Een groot deel van de tuin is parkeerplaats geworden.

Ook de ‘rues interieures’ zijn, op de winkelstraat na, geen prettige straten, maar duistere, lage gangen die niet uitnodigen tot flaneren en vooral doen denken aan ouderwetse bejaardenhuizen. Maar de ‘mini suite’ waar we vijf nachten verblijven, is meer dan zo maar een hotelkamer. De kamer van 35 vierkante op de achtste verdieping geeft, met dank aan Le Corbusiers keukentje (dat overigens niet gebruikt mag worden) en chaise longue, een huiselijk gevoel. Ook door het schitterende uitzicht op de Middellandse Zee, waar elke avond de zon in weg zakt, is een regenachtige morgen doorbrengen in de suite geen straf.

Bovendien bevindt de suite zich vlak onder de daktuin, de grote troef van de Unité. Meer dan welk ontwerp van Le Corbusier ook maakt de meestal zonovergoten daktuin duidelijk wat hij bedoelde toen hij architectuur eens omschreef als „het meesterlijke, correcte en schitterende spel van massa’s die in het licht bijeengebracht worden”. Hoewel er nauwelijks een plant groeit en bijna alles er van beton is, voelt het dak toch als een tuin. Dat komt vooral door de fotogenieke grote schoorstenen, die door hun uitwaaierende, organische vormen aan versteende oerbomen doen denken. Hier picknicken, op een hoogte van 65 meter met uitzicht over heel Marseille, is een onvergetelijke belevenis: tegen Le Corbusier’s betonnen daklandschap kan geen bos op.