De alma mater is een beetje hersendood De top in ambitie, bureaucratie en studievertraging

Professioneel bestuur bracht universiteiten fusies, logo’s, dure gebouwen en een mangrovewoud van staffunctionarissen, schrijft Bastiaan Bommeljé.

Er zijn mensen in Nederland die menen dat de opening van het academisch jaar aanstaande maandag de interessantste, of althans grappigste wordt sinds tijden. De universiteiten zelf reppen als immer van een ‘feestelijke en plechtige’ ceremonie, omlijst met deftige symposia en dito redevoeringen. Wellicht is het interessant om te zien hoe bij deze eerste opening onder het kabinet-Rutte de universiteiten reageren op de nieuwe wind die staatssecretaris Halbe Zijlstra door het academische leven laat waaien. Juist deze zomer publiceerde de VVD-bewindsman zijn strategische agenda voor het hoger onderwijs ‘Kwaliteit in verscheidenheid’waarin scherpe koerswijzigingen in de relatie tussen de overheid en het hoger onderwijs zijn verstopt achter de bekende prietpraat over ‘samen naar de top’ en ‘streven naar excellentie’.

De grootste belangstelling gaat maandag ongetwijfeld uit naar het beloofde harde nieuws over de eerder deze zomer uitgelekte plannen voor een fusie (of dan toch ten minste bestuurlijke samenvoeging) van de Universiteit Leiden, de Erasmus Universiteit te Rotterdam en de TU Delft. Voorts ma g worden gehoopt op nadere berichten over de fusieplannen tussen de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit, of dan toch ten minste op opheldering over de vraag of het plotselinge opstappen van UvA-bestuursvoorzitter Karel van der Toorn in juli inderdaad met deze fusie van doen had, of toch misschien meer met de onophoudelijke financiële en bestuurlijke chaos die de eerdere net-niet-helemaal fusie van de UvA met de Hogeschool van Amsterdam heeft opgeleverd. En ook komt er misschien meer informatie over de intentie tot nauwe samenwerking tussen de universiteiten van Groningen, Nijmegen, Wageningen en Twente, en over de paringsdans waarin de Universiteit Utrecht en de TU Eindhoven zijn verwikkeld.

Vooral de plannen voor het samengaan van de drie Zuid-Hollandse universiteiten deed deze zomer veel stof opwaaien. Zelfs minister-president Mark Rutte voerde, net als alle fractievoorzitters en enkele andere bewindslieden – buiten het oog van de media – gesprekken met de universiteitsbestuurders van Leiden, Rotterdam en Delft over deze kwestie. De reacties in deze krant, van een boze Vincent Icke (hoogleraar theoretische sterrenkunde) en een nog bozere Ed van den Heuvel (emeritus hoogleraar sterrenkunde), logen er niet om, en ook in andere media reageerden wetenschappers not amused.

In werkelijkheid echter was er niets nieuws onder de zon, en de meer geharde toeschouwers van de universitaire werkelijkheid konden een gaap nauwelijks onderdrukken. Deze fusie zit al dertig jaar in de pen. Beter gezegd: de eerste concrete plannen ervoor stammen uit het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Destijds was de politicus Henk Zeevalking (D66) voorzitter van het College van Bestuur van de TU Delft, en onder zijn leiding verzonnen de drie betrokken universiteiten alvast een naam voor de nieuwe mega-instelling: ‘Corbulo Universiteit.’ Genoemd naar de Romeinse veldheer Gnaius Domitius Corbulo die in het begin van onze jaartelling zijn legioenen tussen Leiden en Voorburg een kanaal liet graven bij wijze van bezigheidstherapie.

Corbulo Universiteit is er niet gekomen, maar het fusie-visioen van de grootste universiteit van Nederland in het Zuid-Hollands laagland is altijd blijven sluimeren, en stak met enige regelmaat de kop op. Fusies, dat is immers wat managers doen. (En nieuwe logo’s maken met bijpassende huisstijl, alsmede dure gebouwen van toonaangevende architecten neerzetten.)

Zonder dit fundamentele inzicht is de geschiedenis van de Nederlandse universiteiten van de afgelopen drie decennia niet te begrijpen. Deze decennia waren dan wel catastrofaal voor het academische leven in dit land, maar gelukkig besliste de Tweede Kamer in 2009 unaniem dat we ooit bij de vijf beste kenniseconomieën ter wereld gaan behoren. Wijselijk noemden de parlementariërs er geen termijn bij, want vooralsnog ligt het rapport-Veerman nog op tafel met de vernietigende conclusies over het Nederlandse hoger onderwijs.

Zo ver was het nog niet toen in 1970 de overheid door middel van de Wet universitaire bestuurshervorming (WUB) trachtte de democratiseringsgolf van de jaren zestig te verankeren in de organisatie van de universiteit. De wet leidde behalve tot oeverloos overleg ook tot een aanzienlijke groei van de academische bureaucratie. Toen minister Wim Deetman (CDA) in de jaren tachtig in ruil voor bezuinigingen de universiteiten wat meer armslag gaf, stond er al een uitgebreid bestuursapparaat klaar voor eigentijds management. En de beer ging helemaal los toen PvdA-minister Jo Ritzen in 1997 de Wet modernisering universitaire bestuursorganisatie (MUB) door het parlement loodste, waarmee de volkomen ongecontroleerde almacht der bestuurders een feit was. De toenmalige oppositiepartijen (CDA, GroenLinks en SP) stemden tegen, de paarse regeringspartijen VVD, PvdA en D66 waren voor, net als de universiteitsbestuurders.

Over deze wet was niets te vinden in het partijprogramma van de PvdA, noch in het regeerakkoord, maar ze was buitengewoon ingrijpend. Ze sloot niet alleen studenten uit van medebeslissingsrecht, maar in één veeg ook alle wetenschappelijke staf en hoogleraren.

Er moesten, zo stipuleerde de minister, ‘professionele’ bestuurders komen aan het hoofd van de universiteiten, en zelfs aan het hoofd der faculteiten. Bestuurders met doortastende daadkracht en dito declaratievrijheid was het ideaal. Bestuurders, kortom, zoals Ritzen zelf enkele jaren later zou worden als bestuursvoorzitter van de Universiteit van Maastricht. En zoals Jan-Karel Gevers, die met even bourgondische als ijzeren vuist regeerde over de Universiteit van Amsterdam, en er niet voor terugdeinsde om zijn eigen promovendi die protesteerden tegen de slechte arbeidsomstandigheden te dreigen met ‘juridische stappen’. En zoals Yvonne van Rooy, die na Tilburg nu heerst over de Universiteit Utrecht en aan wie geen kritische noot ontgaat. Publiceert men aan die universiteit een column die het bestuur onwelgevallig is, dan volgt de volgende dag een reprimande. Schrijft men als een in Oxford gepromoveerd medewerker een stukje over de slechte aansluiting tussen de bachelorfase en de masterfase, dan wordt men in Utrecht meteen ontheven als voorzitter van de examencommissie. De ‘corporate identity’ mag niet worden bezoedeld. Dat is waar managers over waken.

Het doet er nu even niet toe dat in menig leerboek over openbaar bestuur de relatie tussen de overheid op afstand en de ondernemende universiteiten in Nederland wordt gebruikt als voorbeeld hoe het niet moet. Er is, zo heet het dan, een fatale cocktail gebrouwen waarin bestuurlijke almacht is gecombineerd met oncontroleerbare ‘input/output-sturing’ en onmeetbare prestatieafspraken. Met andere woorden: de overheid wierp jarenlang achtereen honderden miljoenen euro’s door de brievenbus van een façade, zonder zich te bekommeren om een systeem van checks and balances.

Als dankbetuiging hebben de Nederlandse universiteiten zich sindsdien ontwikkeld tot de meest bureaucratische ter wereld. Reeds meer dan een decennium geleden waarschuwde de Raad voor Maatschappelijk Onderzoek (RMO) dat aan de universiteiten de helft van het personeel bestond uit beheer en bestuur, terwijl er steeds minder docenten en onderzoekers waren. Maar dit stopte de woekering niet. Thans is aan de Universiteit van Amsterdam (overigens de universiteit met het laagste studierendement van Nederland) liefst 56 procent van het personeel geen wetenschapper (aan Harvard is dit 27 procent). Begin dit jaar nog werd de UvA doorgelicht door het adviesbureau ACS. De conclusie was dat door het mangrovewoud aan staffunctionarissen veel beleid nooit doordringt tot de werkvloer.

Deze bestuurlijke overdaad heeft niet kunnen voorkomen dat de UvA thans gebukt gaat onder een torenhoge schuldenlast. Dat komt niet door een nieuw logo, maar wel door dure gebouwen van toonaangevende architecten. Net als elke universiteit is ook de UvA op grote schaal aan projectontwikkeling gaan doen, zoals bij de omstreden verbouwing van het Oudemanhuispoort-complex en de rampzalig uitgepakte Amstelcampus aan de Wibautstraat. Alleen al voor dit laatste project heeft men 230 miljoen euro moeten lenen, met als consequentie 16 miljoen rente per jaar – en onlangs werd de oplevering weer uitgesteld. Aan het Binnengasthuisterrein is de tot in de rechtszaal bevochten situatie al even treurig. Hier zou al enige tijd geleden een nieuwe bibliotheek met twee torens van veertig meter hoog hebben moeten verrijzen. Daarvoor dienden echter enkele rijksmonumenten te worden gesloopt, terwijl de omgeving valt onder de werelderfgoedzone die de Unesco rond de grachtengordel trok. Omwonenden protesteerden met succes tegen de torens. Deze staan nu in de volksmond bekend als de ‘Noorda-torens’ naar voormalig bestuursvoorzitter Sijbolt Noorda, wiens ‘love baby’ dit project is.

Iemand moet inmiddels de rekening betalen voor de imposante gebouwen van toonaangevende architecten. In Amsterdam zijn dat de wetenschappers. Het afgelopen jaar werden links en rechts studierichtingen opgeheven, en de faculteit der Geesteswetenschappen heeft zelfs reeds ‘unaniem’ besloten om over zeven jaar de leerstoel Middeleeuwse Archeologie van Nederland, de enige van het land, op te heffen. Dit lijkt sterk op Leiden, waar men de afgelopen jaren ook dacht de tekorten te dichten door juist de kleine maar unieke studierichtingen op te heffen, terwijl de winst zou komen uit nieuwe bezigheden als ‘iets met communicatie’ en ‘iets met global challenges in business management’.

Sinds de professionalisering van het bestuur der universiteiten is steeds meer aan het licht gekomen dat Nederlandse studenten behoren tot de traagste op aarde, dat de studie-uitval in Nederland het hoogst is van de beschaafde wereld, dat de studiebelasting het minste is van alle ons omringende landen, terwijl het studierendement het laagste is van alle OESO-landen (slechts 47 procent van de studenten haalt in vier jaar het bachelorprogramma; het streefcijfer is 70 procent). In 2005 diagnosticeerde voormalig staatssecretaris Rick van der Ploeg onomwonden dat „het erbarmelijke academisch klimaat in Nederland” het gevolg was van „een heilige coalitie van pretstudenten, middelmatige professoren en megalomane bestuurders”.

Het gaat er hier nu even niet om dat juist in deze periode de belangenorganisatie van universiteiten VNSU het concept ‘Centers of Excellence’ introduceerde. Deze organisatie is uitgegroeid van een overlegclubje tot een lobby-bedrijf onder leiding van de al genoemde Noorda. Er is een eigen logo, een kapitaal pand dichtbij het Binnenhof, vijfendertig ‘professionals’ die zich bezighouden met ‘communication’, en een stroom van persberichten in de trant van: „Mede door actuele maatschappelijke ontwikkelingen zijn de universiteiten deze zomer gestart met het bouwen aan een nieuwe gezamenlijke strategie” die moet bijdragen aan „het versterken van de positionering van de sector”. Helaas is er nu „gezien de fase waarin de nieuwe strategie verkeert, nog geen informatie online beschikbaar”.

Te midden van al deze bestuurlijke moderniseringsslagen zijn de fusieplannen van Leiden met de Zuid-Hollandse zusters nooit begraven. In 2001 meldde de toenmalige collegevoorzitter van de TU Delft, Nico de Voogd, dat een fusie met Leiden er „binnen vijf à tien jaar” aan zat te komen. Rotterdam kon aanschuiven „want iedereen heeft daar voordeel van”. Criticasters meenden dat hier vooral ‘eigen voordeel’ was bedoeld, ofwel nieuwe bestuurslagen met prettige salarissen.

Nu is het bekend dat universiteitsbestuurders behalve op fusies, nieuwe logo’s en dure gebouwen van toonaangevende architecten, ook dol zijn op bijpassende traktementen. Ondanks het feit dat toenmalig minister Plasterk in 2007 nog meende dat hij onder universiteitsbestuurders ‘geen toppers’ kon ontwaren, ontvangen managers in de publieke sector behalve in ziekenhuizen nergens meer dan aan Alma Mater. Bij de wettelijke invoering van de Balkenendenorm in 2008 verdienden voorzitters van universiteiten tussen de 179.000 euro en 266.369 euro, terwijl gewone universiteitsbestuurders gemiddeld 160.000 toucheerden (alles exclusief pensioenpremies en toeslagen uiteraard).

Van die extra toeslagen wordt aan de universiteiten veel meer dan elders gebruikgemaakt; gemiddeld wordt aan bestuurders meer dan 20 procent bovenop het basisloon betaald. Zo kon het dat Aalt Dijkhuizen als voorzitter van de Raad van Toezicht van de Universiteit Wageningen, de kleinste universiteit van Nederland, destijds met 266.369 koploper was, terwijl de Maastrichtse bestuursvoorzitter Jo Ritzen, naast zijn salaris van 178.749 ook nog jaarlijks een pensioenpremie ad 77.852 bleek te ontvangen (zo’n 40.000 euro meer dan het gemiddelde van andere universiteiten), terwijl hij bij zijn aantreden in 2003 al bij wijze van ‘bindingspremie’ 326.000 euro ontving om zijn ‘pensioengat’ te repareren (na commotie betaalde hij daarvan 85.000 euro terug).

Maar het gaat niet om het geld, het gaat om het fuseren, want dat is wat managers doen. Bovendien is de lol van dat zelf je salaris vaststellen er toch al af sinds de regels door Halbe Zijlstra zijn verstrakt. Helpt de fusie dan om de universiteiten op te stoten in de ranglijsten van ‘beste’ instellingen? Dit suggereerde de voorzitter van bestuur van de TU Delft, Dirk Jan van den Berg. De fusie, zei hij, leidde tot „iets met een veel grotere schaal”. En zulks is niet te versmaden: „Dat past in het vestigen van je wereldpositie. Als je met zo’n breed aanbod kunt komen op de internationale wetenschappelijke markt, dan heeft dat heel veel betekenis.”

Welke betekenis precies blijft ongewis, want juist de hoogst genoteerde universitaire instellingen op de ranglijsten van Shanghai en Times Higher Education zijn allemaal kleiner dan 22.000 studenten (Harvard is met 21.000 de grootste en London School of Economics met 9.000 de kleinste).

Toch hoeft aan de rekenvaardigheid van bestuurder Van den Berg niet te worden getwijfeld. Verleden jaar nog weigerde hij om zijn in 2009 niet door de overheid goedgekeurde salarisverhoging van 19.000 euro te annuleren, en liet zijn eigen universiteit als boete het bedrag aan de staatssecretaris terugbetalen. Maar het gaat hier niet om het geld, het gaat om het fuseren, want dat is wat managers doen.

Maar dat stijgen op welke ranglijst dan ook is belangrijk om buitenlandse studenten te trekken. Die zijn hard nodig, want de Nederlandse bèta-studies en technische universiteiten raken leeg. Slechts zo’n 18 procent van alle Nederlandse studenten studeert af in deze richtingen, tegenover een EU-gemiddelde van 27 procent en een OESO-gemiddelde van 25 procent. In Nederland is ongeveer 6 promille van de bevolking tussen de 20 en 29 jaar afgestudeerd in techniek, tegenover bijvoorbeeld Frankrijk met 20 promille. Het totaal aandeel bèta’s en technici in de bevolking in Zweden en Groot-Brittannië is twee keer zo groot als in Nederland. Het tekort aan bevoegde bètadocenten is navenant.

Geen wonder wellicht dat in 2007 de OESO nogal wat kritiek had op het Nederlandse hoger onderwijsbestel. Men sneerde dat het ministerie zich vooral bezighoudt ‘met retoriek’ en ‘de waan van de dag’. De OESO voorspelde toen al dat Nederland de doelstelling van het Lissabon Akkoord over hogere studierendementen niet zo halen. Nu het eerste meetpunt 2011 is bereikt, kan men vaststellen dat het zelfs bij lange na niet is gehaald.

Maar 2011 wordt dan wel niet het jaar van de hogere studierendementen, maar wel van de fusies, want dat is wat managers doen. Net als beloften.

Ze beloofden ons ‘Centers of Excellence’ – we kregen moedeloze organisaties waarin studenten voortaan onvoldoendes mogen compenseren met voldoendes van totaal andere vakken; en lukt zelfs dat niet, dan krijgen ze ‘taakje’ mee die ze na de zomer moeten inleveren in ruil voor een voldoende.

Ze beloofden ons leergierige jongeren – we kregen een wezenloze generatie terraszitters wier voornaamste intellectuele vaardigheid bestaat uit het feit dat ze het minst lezen en het meest drinken van al hun westerse leeftijdgenoten.

Ze beloofden ons universiteiten die er toe deden – we kregen iets met nieuwe logo’s en torens van toonaangevende architecten, wat door de commissie-Veerman werd beoordeeld met ‘een 6,5’.

Het is in deze ondraaglijke leegte waar de verklaring ligt van de fusieplannen. Fusies, dat is wat managers nu eenmaal doen. En nieuwe logo’s maken met bijpassende huisstijl, alsmede dure gebouwen van dito architecten neerzetten. Dat is het wel zo’n beetje, weten we nu.

Bastiaan Bommeljé is uitgever en boekhandelaar, historicus en redacteur van Hollands Maandblad.