Hans Makart versierde Wenen schaamteloos

In het negentiende-eeuwse Wenen was kunstenaar Hans Makart een superster, zoals Andy Warhol dat een eeuw later was in New York. Twee exposities eren zijn korte, exorbitante leven. Maar kon hij ook schilderen?

'Die fünf Sinne: Das Gefühl, Das Gehör, Das Gesicht, Der Geruch, Der Geschmack' (1872-1879)

Als Hans Makart op 3 oktober 1884, slechts 44 jaar oud, met een laatste pijnlijke zucht aan de syfilis bezwijkt, stromen de bewonderaars toe. Hij wordt opgebaard in zijn eigen atelier, tussen de oosterse tapijten, droogboeketten, dierenvellen, bustes, nutteloze ornamenten en oude wapenrustingen. De beau monde van Wenen, die eerder het atelier vulde bij beruchte feesten of zich tijdens de dagelijkse openstelling tussen vier en vijf verdrong om de meester zelf aan de slag te zien, omsluit de marmeren zerk. Dames in ruisende rokken, van wie wordt gefluisterd dat ze voor zijn naakten model stonden, vallen flauw. De politie probeert het vergeefs in goede banen te leiden, net als de dag van de begrafenis op de voorname Ringstrasse, waar de schildervorst op zijn laatste tocht door honderdduizenden een chaotische eer wordt bewezen.

Het leest als de publieke rouw na de dood van André Hazes, deze collectieve hysterie voor een schilder die slechts een paar jaar later door serieuze kunstminnaars zal worden weggezet als een kladderaar, vervaardiger van decoratieve edelkitsch per strekkende meter en een notoire schandaalzoeker.

Toch regeerde deze kunstenaar Wenen, zoals de titel Ein Künstler regiert die Stadt van de aan Makart gewijde expositie in het Wien Museum suggereert. Makart-stijl, Makart-rood, Makart-boeket, Makart-interieur – tussen 1869 en 1884 leeft Wenen in de Makart-Zeit. Alles wat er in het mondaine leven toe doet is door de kunstenaar aangeraakt, culminerend in een historische Makart-optocht ter ere van de zilveren bruiloft van de keizer.

Het Wien Museum ensceneert met duidelijk plezier dit korte, exorbitante kunstenaarsleven in het Künstlerhaus, dat Makart ooit afhuurde om met zijn meterslange triptiek Die Pest in Florenz sensationeel in Wenen te debuteren. ‘Na ons de zondvloed’ wilde hij deze evocatie van een door morbide lusten bevangen stad in angst noemen. Het publiek stond in de rij, zoals voor een Hollywoodblockbuster. Wat Andy Warhol een eeuw later voor New York was, betekende Makart voor Wenen, is de boodschap van de tentoonstelling – de lucratieve verstrengeling van kunst, mode en populaire cultuur voorgoed een feit.

Het Wien Museum vertelt het verhaal van een kunstenaar die met schandalen en glamour behendig zijn eigen succes regisseert: Makart als superster, exponent van een tijdgeest. Is dat voldoende? Ik vind het moeilijk om bij dit soort fenomenen niet de strenge, misschien wat kleinburgerlijke vraag te stellen: Kon hij eigenlijk ook wat? Schilderen bijvoorbeeld?

Met precies die vraag worstelt het Belvedere, die met Makart, Maler der Sinne een paralleltentoonstelling organiseert. De samenstellers kwijten zich van de taak het oeuvre van Makart kunsthistorisch te duiden. Die expositie oogt beduidend minder opgewekt dan de pendant in het Wien Museum. Alles wordt keurig in kaart gebracht: het effect van de grote formaten, verbeelding die met de historische werkelijkheid op de loop gaat, de rol van de erotiek en Makarts gemakkelijke verfstreek die doet denken aan de impressionisten. Maar het voelt – ondanks de zwaar romantische pluche gordijnen voor de wanden – ongemakkelijk, alsof de schaamte bij het museum met de deftige Klimt-collectie voor de decadente kitsch van Makart nooit ver weg is.

En dat is opmerkelijk wanneer je bedenkt dat de negentiende-eeuwse salon- en academiekunst (waar je Makart toe kan rekenen) de laatste jaren een enorme herwaardering beleeft. Het aanstekelijke pleidooi dat Mariëtte Haveman nog in 1996 met haar boek Het feest achter de gordijnen hield voor volgens haar door ‘de zeloten van het modernisme’ ten onrechte verguisde kunstenaars als Alma-Tadema, Tissot, Gérôme en Böcklin lijkt welhaast achterhaald als je de huidige tentoonstellingspraktijk volgt. De negentiende-eeuwse vertellers met verf, schaamteloos sentimenteel en versierend, zijn opnieuw publiekstrekkers, na een eeuw verstopt te zijn geweest. Hans Makart nu onder het stof weghalen lijkt in die trend te passen.

Ik sla het boek van Haveman graag en vaak op als ik nog eens wil nalezen waarom al die negentiende-eeuwse onzin zo aantrekkelijk is: goed geschilderd, een scherp gevoel voor de anekdote, grenzeloze verbeelding en fantasie. Ze maakt zich ook sterk voor Hans Makart, prijst zijn frivoliteit en noemt hem ‘goed in het oppervlakkige’. Bij Haveman is dat een aanbeveling.

Ik bezoek eerst het Belvedere. In de openingszaal laat ik me overweldigen door Venedig huldigt Caterina Cornaro (1872/73). Alles glimt op dit enorme schilderij, nog het sterkst het gouden gewaad van Caterina. De menigte die de Cypriotische vorstin eer betuigt, is met trefzekere rode, zwarte en goudgele vegen tot leven gebracht. Het is zo’n schilderij dat lijkt op te stijgen, als een oosters tapijt. Dat komt door de vaart in elk van de personages. Maar het dreigt ook te bezwijken aan zijn volheid, de horror vacui die voor een hedendaagse bezoeker menig negentiende-eeuws interieur verstikkend en onbewoonbaar laat lijken.

Er is geen liefde op het eerste gezicht, merk ik. Is Makart misschien een stap te ver in oppervlakkigheid? Overschrijdt hij een grens? Of ben ik in de verkeerde stemming?

In de volgende zaal hangen, in een theatraal halfduister, vijf in langwerpige lijsten gevangen bleke naakten, die tezamen de vijf zintuigen verbeelden. Die zouden me zomaar met Makart kunnen verzoenen, zo goed zijn ze geschilderd. Ware het niet dat mijn oog op een bescheiden schilderij van Auguste Renoir valt: Na het bad (1876). Volgens het Belvedere hangt hij tegenover Die fünf Sinne als een kunsthistorische vergelijking van schildertechnieken, maar de enscenering wijst eerder op een zorgvuldig geënsceneerde karaktermoord. Die eenzame Renoir veegt Makart behendig van de kaart.

Waarom treft Na het bad me als een liefdesslag? Omdat de vrouw op Renoirs schilderij een individu is, in haar ogen huist denken, ze heeft een innerlijk. De vrouwen bij Makart zijn metaforen; zijn welgevormde naakten ogen tegenover Renoirs vlezige baadster als softpornokoninginnen, gladgestreken met fotoshop. Niet voor niets bewondert de vrouw die het zingtuig kijken verbeeldt zichzelf in een spiegel: narcisme is wat deze naakten tekent. Hun huid ziet bleek als een dood lichaam – Makart werd door zijn tegenstanders graag als ‘lijkenschilder’ weggezet, en ik begrijp ineens wat ze bedoelen.

Het leed is geschied, het lukt die dag niet meer nog van Makart te houden, al laat het waarom daarvan me niet los. Ik voel me een verrader van de pleidooien die ik zo graag voor dit soort schilders heb gehouden. En dat alleen maar door een Renoirtje?

De volgende dag bezoek ik Ein Künstler regiert die Stadt en vergaap me aan de Makartboeketten, de foto’s van zijn imposante als een uitdragerij volgepropte atelier, de uitzinnige plafondschilderingen, de galerij met mondaine modellen en maîtresses, en ik besef hoe zijn schilderijen daar hun natuurlijke habitat vinden.

Hoe adembenemend ook, de vergelijking met de boertige Renoir geeft eenvoudigweg geen pas. Makart laat zich alleen appreciëren als je openstaat voor zijn decadentie. Hij flirt met liefde als doodsverlangen, ontembare lust als levenselixer. Zijn stijl is die van de paradoxale contrasten. Het scandaleuze effect de norm. Alles is oppervlakte, of, zoals Haveman benadrukt, Makart is een decorateur. Hij creëerde een lifestyle, zouden we nu zeggen, de waarheid van zijn werk is de pose, niet de authenticiteit. Daaraan moeten we zijn werk meten, daarin ondergedompeld de kracht ervan ondergaan.

Het Belvedere had Makart niet moeten vergelijken met Renoir. De vraag had moeten zijn: was hij een goede decadente schilder? Wat me werkelijk verwart is dat die vraag veel pijnlijker uitpakt. Zaal na zaal zet zich almaar krachtiger de gedachte in me vast dat ook in de decadentie er zoiets als authenticiteit bestaat. Schilder Felicien Rops, of schrijver J.-K. Huysmans (Tegen de keer) celebreren eveneens de pose van oppervlakkigheid, maar wel een doorleefde. Het is dit wat ik mis bij Makart. Zijn decoratieve blufpoker is knap, sensationeel zelfs, loopt over van bravoure, maar het voelt berekend, louter gecalculeerd op schandaal en effect, alsof ik achter zijn schilderijen nog steeds de burgerlijke bierfeestjes ruik waar hij zich privé het liefst aan overgaf.

Makart een fenomeen? Ja. Een groot schilder? Nee. Al blijft de vraag: zou ik dat ook hebben gedacht als ik de vrouw in Renoirs Na het bad níét in de ogen had gekeken?

Ein Künstler regiert die Stadt. T/m 16 oktober in Wien Museum in Künstlerhaus Wenen. Inl: wienmuseum.at Makart, Maler der Sinne. T/m 9 okt in Belvedere, Wenen. Inl: belvedere.at

    • Peter Delpeut