Willy Deckers 'Tristan' is een formidabel afscheid

Isolde (Anja Kampe) en Tristan (Christian Franz) in het sobere decor van Wolfgang Gussmann. Foto Paul Leclaire Tristan und Isolde Ruhrtriennale 2011 Jahrhunderthalle Bochum

Tristan und Isolde van Wagner, Jahrhunderthalle Bochum. Duisburger Philharmoniker o.l.v. Kirill Petrenko. Regie: Willy Decker. Gezien: 27/8. Nog t/m 20/9. *****

Hoe vertaal je de meest abstracte en plotloze van alle romantische opera’s naar het toneel? Hoe toon je dat de puurste vorm van wagneriaanse liefde zich niet in een ‘wereldlijk’ decor afspeelt, maar in een gesublimeerd samensmelten in het ‘Niets’, voorbij leven en dood? En vooral: hoe voorkom je dat zo’n weergave van een op het boeddhisme geïnspireerd ideaal blijft steken in spirituele kitsch of filosofische vaagheden?

Willy Decker zag zich voor de formidabele taak gesteld niet alleen Wagners Tristan und Isolde overtuigend te ensceneren maar daarmee ook zijn driejarige leiding van het kunstfestival Ruhrtriennale waardig af te sluiten. De regisseur leverde in het eerste jaar samen met zijn onafscheidelijke ontwerper Wolfgang Gussmann een revolutionaire productie van Schönbergs Moses und Aron, met schuivende tribunes en een orkest op wielen. Na ‘jodendom’ en ‘islam’ is nu ‘boeddhisme’ het derde thema waarbinnen de relatie tussen kunst en religie wordt verkend.

De boeddhistische connotaties zijn in Tristan eerder impliciet. Hoewel de toneel-tribune-opstelling in de enorme Jahrhunderthalle in Bochum ditmaal conventioneel is, krijgt het publiek een radicaal vereenvoudigd decor voorgeschoteld.

De trapeziumvlakken fungeren als speelvloer en achterwand in eindeloze combinaties. Maar ze kunnen tevens duiden op kunstmatige barrières waar de verboden maar voorbestemde liefde tussendoor beweegt. In ruimtelijk contrast hiermee staat een grote bol, waarop videoprojecties van onvervulde verlangens op gestileerde wijze worden geprojecteerd. Bij Isoldes slotzang smelten de panelen symbolisch samen.

Koel is de voorstelling daarmee allerminst. De acteursregie blinkt uit in dramatische poses, en de sobere visualisatie geeft de weelderige polyfonie van de partituur des te meer ademruimte. Spectaculair wordt het uitstekende Duisburger Philharmoniker door een snuivende Kirill Petrenko tot onverzadigbare climaxen opgestuwd. Reeds in de prelude is de pijn van uitgesteld verlangen goed voelbaar. Het enorme liefdesduet van de tweede akte krijgt een sensuele omspeling, huiveringwekkend desolaat is het orkestrale commentaar als Tristan sterft. Geen wonder dat de nog geen veertigjarige Rus Petrenko reeds voor een ‘Ring’-cyclus in Bayreuth is gereserveerd, het hoogst haalbare voor een Wagnerdirigent.

Sopraan Anja Kampe verdient een olympische medaille voor haar onvermoeibare Isolde-vertolking: ze groeit van opstandige afwijzing via lyrische extase naar ontroerende berusting, met feilloos hoge tonen.

Heldentenor Christian Franz stelt licht teleur in de – toegegeven – bijna onzingbare Tristanrol; in de zachte zowel als luide passages ontbreekt het hem soms aan evenwicht. Maar dat de voorstelling desondanks geheel overeind blijft, bewijst hoe geslaagd Deckers afscheid van de Ruhrtriennale is.