Wat betekent dat, arm zijn?

In 2009 was ruim 6 procent van de Nederlanders arm. Oftewel 971.000 personen in 453.000 huishoudens. De meeste armoede heerst tegenwoordig onder eenoudergezinnen, bijstandsgerechtigden en Poolse en Russische immigranten.

In Nederland wil dat volgens het Sociaal Cultureel Planbureau zeggen dat iemand een inkomen heeft onder het niet-veel-maar-toereikendcriterium. Mensen met een inkomen daaronder hebben genoeg geld voor voedsel, kleding en huisvesting, maar houden bijna niets over voor sociale contacten en ontspanning. Dat laatste is belangrijk, omdat armoede vaak samen gaat met sociale uitsluiting. Die uitsluiting kan een rol spelen op verschillende gebieden. Mensen nemen minder deel aan het sociale verkeer, bezoeken wellicht minder vaak vrienden en familie of organiseren geen kinderfeestjes. Ook kunnen ze vaker delinquent gedrag vertonen en vaker spijbelen. Ook op materieel gebied kan sociale uitsluiting tot achterstand leiden: betalingsachterstand op de huur of kinderen die door geldgebrek niet op schoolreisje kunnen. Tot slot kan sociale uitsluiting leiden tot een beperktere toegang tot basale rechten, zoals gezondheidszorg en onderwijs. Sociaal uitgesloten mensen vinden bijvoorbeeld minder goed hun weg in het zorgsysteem.

Armoede en sociale uitsluiting kunnen elkaar versterken. Zo zijn armere mensen vaker ongezond. Dat kan weer een negatieve invloed hebben op het inkomen en op de sociale participatie, bijvoorbeeld als iemand in de ziektewet belandt en daardoor met aanzienlijk minder inkomsten thuiszit.