Praten mag in de trein, bellen mag er dus ook

Veel Nederlanders vinden dat er een gedragscode moet komen voor het openbaar gebruik van mobiele apparatuur. Maar wat is er nu storend aan een laptop, vraagt Vincent de Haan zich af.

Uit onderzoek van computerbedrijf Intel blijkt dat veel Europeanen zich ergeren aan het gebruik van mobiele apparatuur zoals telefoons en laptops. Maar liefst 63 procent van de Nederlanders vindt dat er een gedragscode zou moeten komen over het gebruik van mobiele apparatuur.

Maar wat moet er eigenlijk in zo’n gedragscode?

Het onderzoek van Intel gaat in op allerlei omstandigheden waaronder je een mobiel apparaat zou kunnen gebruiken: in bed, op het toilet, aan tafel, et cetera. De onderzoekers vroegen of laptop- of telefoongebruik in die situaties als storend beschouwd werd.

Een belangrijk aspect blijft echter onbesproken: zijn die laptop- of telefoongebruikers je gesprekspartner of zijn ze anonieme passanten? Dat scheelt mijns inziens een slok op een borrel.

Om een gedragscode op te stellen voor mensen in het openbaar, die elkaar niet kennen, moet men kijken naar het schadebeginsel, aldus de Britse filosoof John Stuart Mill (1806-1873): slechts dát gedrag moet verboden worden, dat anderen schade toebrengt.

Maar wat is schade? Dat moet objectief vast te stellen zijn. In ieder geval is het enkele feit dat sommige mensen zich ergens aan storen niet genoeg.

Nu kunnen we beoordelen of bijvoorbeeld bellen in de trein verboden zou moeten worden – buiten de stiltecoupé, uiteraard. Spreken in de trein is toegestaan; bellen is een soort spreken, dus is niet in te zien waarom bellen objectief meer schade teweegbrengt dan spreken. Het schadebeginsel geeft dan ook geen aanleiding voor een verbod.

En met de laptop in het restaurant of in het park? Een laptop maakt geen geluid, ziet er niet aanstootgevend uit en is ook op geen enkele andere wijze schadelijk. Ik zie dan ook geen enkele reden dit te verbieden, anders dan dat sommige mensen zich eraan storen.

Verandert dit als onze gesprekspartners zitten te sms’en terwijl we met ze in gesprek zijn?

Natuurlijk.

Het is echter onmogelijk om te zeggen wat wel kan en wat niet, omdat dit afhangt van het gezelschap waarin men zich bevindt. In sommige gezelschappen is het heel gewoon de telefoon te gebruiken op feestjes en borrels, in andere gezelschappen is dat uit den boze.

Hoe zou een (overheids)organisatie voor alle Nederlanders een gedragscode kunnen opstellen, waar iedereen zich in kan vinden? En is dit wel nodig? Onze vrienden kunnen we immers wel aanspreken op hun mobiele manieren, als die niet de onze zijn.

Het idee van een mobiele gedragscode klinkt leuk, maar is moeilijk uit te werken. In anonieme relaties is mobiele apparatuur welbeschouwd niet schadelijk en in persoonlijke relaties is een gedragscode niet eenduidig vast te stellen en ook niet nodig.

De vraag die onbeantwoord blijft, is waarom 63 procent van de Nederlanders zich zo stoort aan gedrag dat helemaal niet schadelijk is.

Vincent de Haan is student rechten in Amsterdam.