Peking als nachtmerrie

Ai Weiwei is deze week opeens overal. Niet alleen als muurschildering in de Amsterdamse Waalsteeg, waarover ik gisteren schreef, maar ook als de moedige Chinese dissidente kunstenaar die al enkele jaren openlijk in onmin leeft met zijn regering.

Het zit in zijn familie, dat dissidentschap. Zijn vader, een befaamd schrijver en schilder, kwam al in de jaren vijftig en zestig in werkkampen terecht, waar hij als vijand van het volk de wc’s moest schoonhouden. Als je zo’n flinke vader hebt gehad, wil je hem later als zoon niet teleurstellen.

Ai Weiwei blijft lastig voor het regime. Hij werd dit jaar al vastgezet en enkele maanden later vrijgelaten, maar onder strenge voorwaarden: verbod om Peking te verlaten, spreekverbod. Ook werd hij beschuldigd van belastingontduiking, een bekende truc van totalitaire regimes om lastige burgers het zwijgen op te leggen.

Maar Ai Weiwei trekt zich er niets van aan. In Newsweek laat hij deze week weten: „Peking is een nachtmerrie, een voortdurende nachtmerrie.”

„Er zijn twee Pekings”, schrijft hij, „een van macht en geld, een ander van wanhoop. Elk jaar komen miljoenen mensen naar Peking, om er wegen en huizen te bouwen. Elk jaar bouwen ze een stad die even groot is als het Peking van 1949. Maar deze mensen zijn slaven, veroordeeld om samen te hokken in structuren die snel zullen worden afgebroken om plaats te maken voor Peking en haar ongecontroleerde groeidrang – dat alles terwijl de regeringsleden en de rijken het mooie leven hebben. Ik zie mensen op de bus, hun ogen verraden enkel wanhoop.”

Hij weet nog niet wat hij zelf moet (en kan!) doen, maar anderen raadt hij aan: „Verlaat de stad, of blijf, overleef en zie hoe ze sterven.”

Het toeval wil – of is het juist geen toeval? – dat het artikel van Ai Weiwei gepubliceerd is in de week dat in Peking de Internationale Boekenbeurs begonnen is. Nederland is gastland van die boekenbeurs, het Nederlandse Letterenfonds draagt er financieel aan bij. Er zit ook een Nederlandse delegatie in Peking, bestaande uit ruim twintig auteurs, zestien uitgevers en staatssecretaris Halbe Zijlstra.

Er is aan het thuisfront nogal wat deining ontstaan rond die delegatie. Was het wel verstandig om te gaan? Willen ze contact zoeken met familieleden van gevangen gehouden auteurs? Zijn ze bereid een protestspeldje van Amnesty International te dragen?

Uit een verslag in de Volkskrant begrijp ik dat er geen speldjes te bekennen waren op een bijeenkomst van de Nederlandse delegatie in Peking. „Speldjes zijn wat kinderachtig”, zei J. Bernlef. Ik kan me zijn irritatie wel voorstellen, je wilt liever zelf uitmaken wat je op je revers draagt.

Aan de andere kant is het ook nogal obligaat om je ervan af te maken met de klassieke dooddoener die eerder uit de mond van Letterenfonds-directeur Henk Pröpper kon worden opgetekend: „Hier in Nederland maar wat roepen is makkelijk.” Pröpper wil investeren in duurzame contacten. „Daarbij willen wij ons niet bezondigen aan overdreven stoerheid.”

Overdreven stoerheid hoeft ook niet, gewone stoerheid zou al mooi genoeg zijn. Hier en daar een pittig gesprekje met de regeringsbobo’s die je op hun brave culturele avondjes pluimstrijkend in de watten proberen te leggen. Af en toe de namen van Ai Weiwei en andere bedreigde dissidenten laten vallen. En verder zoveel mogelijk de straat op: zien hoe ze daar „overleven en sterven”.