Olieconcerns en hun politiek

Koninklijke Olie/Shell is het een na grootste bedrijf ter wereld. Alleen de Amerikaanse supermarktketen Walmart is volgens de bladen Fortune en Forbes groter dan de Brits/Nederlandse multinational.

De cijfers zijn niet zomaar naast elkaar te zetten. Maar ter oriëntatie toch deze vergelijking: met een omzet van ongeveer 370 miljard dollar zou Shell op de mondiale ranglijst van nationale economieën tussen België en Zweden staan. Het bruto binnenlands product van deze twee staten is ongeveer even groot. Shell is, kortom, een bedrijf met macht.

Vandaar dat de Tweede Kamer gisteren president-directeur Benschop van Shell Nederland uitnodigde voor een stevig gesprek over Syrië. Het concern is, na het Franse Total, de tweede Europese olieproducent in het land waar volgens Amnesty International afgelopen vijf maanden bijna negentig mensen in gevangenschap zouden zijn doodgemarteld.

De oppositiepartijen wilden dat Shell zich uit Syrië zou terugtrekken, zolang het regime van Assad de bevolking terroriseert. Maar de topman gaf geen krimp. Shell zal zijn aanwezigheid in Syrië pas heroverwegen als de Europese Unie op politiek niveau besluit tot een boycot.

Het Nederlandse parlement speelt geen rol, liet Benschop blijken. En de oppositie in Tweede Kamer al helemaal niet. Een treffende rolwisseling? Benschop was immers ooit assistent van de PvdA-leiders Den Uyl en premier Kok, staatssecretaris voor Europese Zaken en heel kort ook parlementariër. Als politicus zou hij Shell streng hebben beoordeeld. Als directeur nam hij het risico voor lief dat hem gebrek aan empathie wordt verweten. Dat is slechte public relations. Tegen het idee dat de troepen van Assad dankzij buitenlandse olieconcerns oprukken, is geen reclame opgewassen.

Maar de afwerende houding van Benschop is wel verklaarbaar en te billijken. Als Shell op eigen moreel kompas Syrië zou verlaten, springen concurrenten in het gat. Rusland, China en India zitten op het vinkentouw. Per saldo is de Syrische bevolking dan niet beter af.

Bovendien ligt het inderdaad voor de hand de politieke organen van Europa nadrukkelijk te betrekken bij een boycot van het Assad-bewind. Bijna 95 procent de Syrische olie wordt geïmporteerd door de EU. Eenderde daarvan gaat naar Duitsland en Italië. De collega-directeuren van Benschop in die landen leggen dus meer gewicht in de schaal.

Dat blijkt nu ook. Vrijdag wil de EU besluiten over een olie-embargo. Maar gisteren ging Italië op de rem staan. Volgens Rome kan dat pas in november, als de contracten aflopen. Een compromis is er nog niet. Shell verschuilt zich daar wat achter. Maar dit gebrek aan eenheid is toch vooral pijnlijk voor Europa.

De EU moet deze impasse nu dus doorbreken. Pas dan kan Europa – en in zijn voetspoor de Tweede Kamer – ook eisen stellen aan Shell.