Nachtclubs, loungebars, Ferrari's...

In Libanon verwacht iedereen een nieuwe oorlog. Intussen feesten de mensen om te vergeten.

Superrijken leven hier naast straatarme vluchtelingen.

De stad slokt je op en laat je verward achter. De stad brengt je in vervoering maar spuugt je net zo makkelijk uit. Beiroet is alles en niets.

Ik loop over chique avenues en verpauperde straten. Het oude centrum van de stad is een surrealistische, totaal afgeschermde zone, slechts toegankelijk voor voetgangers die zeker drie versperringen moeten trotseren en een inspectie van hun tassen kunnen verwachten. Overal checkpoints. Op elke straathoek militairen, ter bescherming van die paar gezinnen die op het Place d’Etoile een ijsje eten. In Beiroet vinden nog regelmatig aanslagen en politieke moordpartijen plaats.

Torenflats doorzeefd met kogels wisselen af met moderne, glazen kantoorpanden. De stad barst van het geld. Althans, zo lijkt het: overal wordt gebouwd, de skyline is bezaaid met hijskranen. Vrouwen lopen in korte broekjes en strakke hemdjes. Ze hebben lang los haar en spreken een mengelmoes van Engels en Frans. Mannen in maatpakken stappen in het nieuwste model Mercedes, Ferrari of BMW.

„Iedereen wil Libanon”, verzucht een sji’itische restaurantmanager. „Het is wachten tot de volgende oorlog. Wanneer het geld binnenstroomt, wanneer men walgelijk rijk wordt en met dollars zwaait alsof het Libanese lira’s zijn, dan gaat het mis, dan komt er oorlog aan.”

Beiroet is verreweg de liberaalste en meest westerse stad van het Midden-Oosten. Nachtclubs, legale prostitutie, disco’s, loungebars. Het uitgaansleven is een vierentwintiguurseconomie. Men feest en wil de onrust vergeten.

Ik zoek naar sporen van de burgeroorlog en kom bij de Holiday Inn Towers terecht. Dat hotel werd door christelijke milities gebruikt als sluipschuttersnest tijdens de burgeroorlog van 1975-1990. De hoge torens zijn nu zwartgeblakerde bouwvallen. De ramen zijn dichtgemetseld.

Even verder ligt het superchique Phoenicia-hotel. Ik vraag de bewaker, een soennitische Mohammed, waarom de Holiday Inn Towers er nog staan. „Er zitten allerlei explosieven in”, antwoordt hij. „Miljoenen, schijnt het.”

De laatste grote inval van Israël in Libanon was in 2006. Maar iedereen die ik het vraag verwacht een volgende oorlog.

„Ze komen”, zegt Mohammed meewarig lachend. „Maar niet dit jaar, in verband met de revoluties, de regio is te onrustig.”

„Bent u bang?”

„Nee, hier komen ze niet. Ze bestoken Dahya.”

Dahya is heel Zuid-Beroet. Het beslaat verschillende sji’itische wijken en een aantal Palestijnse vluchtelingenkampen. Ik neem de minibus en stap uit bij Jisr al-Mattar, de grote oversteek naar het vliegveld.

„Vanaf hier kunnen we niet verder”, zegt de chauffeur. „Dit is Hezbollah-country.”

Dahya was platgebombardeerd door de Israëliërs. Maar de wijk die ik zie staat vol gloednieuwe flats, grote balkons, ruime appartementen. „Er is hier niets, je bent te laat”, vertellen twee jonge meiden zonder hoofddoek. „Dit was een grote woestijn, alles was plat. Maar nu is er geen ruïne meer over. Hezbollah heeft alles opgebouwd, Iran heeft betaald.”

Ze nemen me mee door de wijk en tonen het hoofdkantoor van Hezbollah: een simpele, hoge flat met wat veiligheidsmensen eromheen. Het gezicht van de leider van Hezbollah, Hassan Nasrallah volgt me overal, evenals wijlen ayatollah Khomeini, de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad. „Het Libanese leger of de politie kunnen hier niet komen. Alles is in handen van Hezbollah.” Een man met een baard leidt het verkeer in een simpel uniform. „Hezbollah-politie”, zegt Caroline.

Libanon is van iedereen en van niemand. Al decennialang vecht men er om de macht. Israël steunt de maronitische christenen; Iran via Syrië de sji’itische groeperingen en terreurorganisaties zoals Hezbollah; de Druzen en alewieten vechten om hun eigen plaatsje; de Amerikanen en Fransen pompen het geld binnen; de soennieten krijgen steun uit het Arabisch schiereiland. Alleen de 425.000 Palestijnse vluchtelingen in VN-vluchtelingenkampen worden door iedereen vergeten.

In het nabijgelegen Palestijnse vluchtelingenkamp, Burj Berajneh, de grootste van de vijf vluchtelingenkampen in Beiroet, verdwaal ik in de smalle steegjes. Er is geen stromend water of riool. Duizenden elektriciteitskabels maken van het kamp een dodelijk gevaarlijke plek. Alleen in de eerste helft van 2011 zijn al elf mensen geëlektrocuteerd, onder wie een kind. De Palestijnen mogen geen appartementen kopen, ze zijn staatloos en kunnen niet legaal aan de bak. Hun situatie is volstrekt uitzichtloos.

In de noordelijkere stad Tripoli verdwaal ik in de prachtige soek. Hier geen nachtclubs of Frans op straat, maar Libanese volksmuziek en Arabisch. Van de inwoners van Tripoli is 80 procent soenniet, maar er wonen ook alewieten en christenen. De flatjes zijn oud en vervallen, de Mercedessen aftands.

„Wat kom je hier doen?” vraagt een man op het centrale plein. „Ga weg, hier is drie maanden geleden nog een enorme schietpartij geweest. De burgeroorlog is hier nooit gestopt. Ze gaat nog altijd door.”

Terug in het hotel hoor ik berichten over Gaddafi die in het nauw wordt gedreven, maar de televisie staat afgestemd op een Arabische variant van MTV.

In Libanon wil men niet weten wat er buiten gebeurt. Hier danst men en feest men tot het ochtend wordt.

Monique Samuel is schrijver.

    • Monique Samuel