Een cultuur is geen mens, wel menselijk

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Vandaag: kun je zeggen dat individuen gelijkwaardig zijn aan elkaar maar culturen niet?

Het was een prettig voortkabbelend panelgesprek op de radio, in februari 2010, over het boek van de historicus Siep Stuurman, De uitvinding van de mensheid. Daarin beschrijft hij hoe in de loop der geschiedenis, met vallen en opstaan, het besef is ontwikkeld dat de hele mensheid eenzelfde morele gemeenschap vormt.

Maar opeens maakte een lid van het panel, Volkskrant-redacteur Chris Rutenfrans, toch bezwaar tegen het boek. Omdat dat bij nader inzien te weinig „denkwerk” bevatte.

Want, zei de journalist, Stuurman beweert eigenlijk dat culturen gelijkwaardig zijn. Maar dat kun je helemaal niet zeggen! Ja, van individuen wel, maar niet van culturen. „Van een cultuur waarin het gebruikelijk is dat overspelige vrouwen worden gestenigd, kun je moeilijk zeggen dat die gelijkwaardig is aan een cultuur die dat niet doet”, zei Rutenfrans. Dat gaat in tegen de mensenrechten.

Ja, inderdaad zeg.

Jammer genoeg gaf de spreker de portee van Stuurmans boek niet helemaal goed weer: dat beweert niet dat het idee van ‘de mensheid’ een „westerse uitvinding is”, zoals hij leek te denken, maar juist dat het idee van een mensheid, door de eeuwen heen en in diverse etappes, ook is ontwikkeld door de hele mensheid. Maar afgezien daarvan, raakte de opiniejournalist een interessant punt.

Want hoe zit het eigenlijk met het praten over culturen en individuen? Kun je inderdaad over culturen niet zeggen wat je over individuen wel kunt zeggen, bijvoorbeeld dat ze gelijkwaardig zijn? Je hoort dat argument de laatste jaren wel vaker. Want ja, je kunt een hekel hebben aan een cultuur, maar dat betekent niet dat je ook een hekel hebt aan de mensen die daarin leven. Toch? Ja, cultuurrelativisten beweren dat culturen gelijkwaardig zijn, maar dat kan dus niet, dat gaat alleen op voor mensen.

Toch gaat ook dat denkwerk iets te snel. Want het enige argument in die uitzending was, dat er belangrijke morele verschillen bestaan tussen culturen. Dáárom kun je ze niet gelijkwaardig noemen. Stenigen of niet stenigen, dat is de vraag.

Maar dat is bij nader inzien een curieus – of eigenlijk gewoon slecht – argument. Want belangrijke morele verschillen bestaan natuurlijk net zo goed tussen individuen. De één is een brave belastingbetaler, de ander een seriemoordenaar. De één laat zijn vrouw stenigen, de ander vraagt netjes echtscheiding aan. Hoe kun je dan toch zeggen dat individuen gelijkwaardig zijn?

Een complicatie is bovendien, dat er tegenwoordig over culturen vaak wordt gesproken alsof dat wél individuen zijn die dingen ‘doen’ en ‘willen’. We hebben het over een cultuur die vrouwen onderdrukt, een cultuur die achterlijk is, of één die het idee van mensenrechten heeft bedacht, enzovoorts. Sociologen noemen dat reïficatie: een object maken van een begrip. Als je culturen zó ziet, heb je niet veel argumenten meer over om principieel onderscheid te maken tussen wat je zegt over culturen en wat je zegt over mensen. Dan moet je kiezen: ofwel vinden dat ‘gelijkwaardig’ net zo goed kan worden gebruikt voor culturen als voor individuen, ofwel vinden dat het voor geen van beide opgaat.

Is er een uitweg uit dat dilemma? Ja, en dan gaat het erom wat je nu eigenlijk bedoelt met ‘gelijkwaardig’. Dat is de hamvraag.

Mensen zijn gelijkwaardig voor de wet, zeggen we bijvoorbeeld. Wat betekent dat? Niet dat ze moreel gesproken ‘van gelijke waarde’ zijn in de uitkomst: de een pleegt een dubbele kindermoord, de ander blijkt onschuldig en wordt vrijgesproken.

Gelijkwaardig betekent eerder: dat ze puur op grond van het feit dat ze mensen zijn, recht hebben op hetzelfde basale respect en op dezelfde zorgvuldige behandeling.

Waarom zou je niet op een vergelijkbare manier over culturen kunnen praten? De uitkomst daarvan is natuurlijk even verschillend als bij de beoordeling van individuen; in de ene cultuur worden zieke kinderen aan hun lot overgelaten, in de andere niet – het tweede zal iedereen nu beter vinden. Bovendien, sommige culturen zijn in opkomst en ‘functioneren’ beter dan andere, andere zijn ronduit disfunctioneel, of in verval. Maar al die culturen verdienen – op grond van het feit dat ze allemaal expressies zijn van menselijke creativiteit – een initieel respect. Alle culturen zijn pogingen, hoe tijdgebonden ook, om een zinvol geheel te maken van de wereld.

Daar ging het de grondleggers van het cultuurrelativisme om, zoals bijvoorbeeld de beroemde Duits-Amerikaanse culturele antropoloog Franz Boas. Zij beweerden niet wat tegenwoordig meestal doorgaat voor cultuurrelativisme: het idee dat er geen verschillen bestaan tussen culturen. Integendeel, ze pleitten juist voor de erkenning van de waardigheid van mensen uit andere culturen, met al hun onderlinge verschillen.

Niet-Europese culturen waren volgens Boas geen primitieve misbaksels, maar producten van menselijke creativiteit en verbeelding waarin dezelfde morele waarde te ontdekken is als in de Europese. Om dat te zien, moet je alleen je eigen culturele normen even loslaten, vond Boas.

Morele vooruitgang bestond er volgens hem in, dat de kring van mensen die werden erkend als gelijken, gaandeweg is uitgebreid van de eigen familie en etnische groep naar buurvolken, andere culturen, en uiteindelijk: de hele ‘mensheid’ – ongeveer zoals Stuurman in zijn indrukwekkende boek beschrijft. Het is een idee dat ook te vinden is bij de Duitse filosoof Herder, eveneens vaak gehekeld als cultuurrelativist en zelfs als een wegbereider van het nationaal-socialisme.

Boas noch Herder zou hebben gevonden dat je geen kritiek mag leveren op een cultuur die vrouwen stenigt, of weduwen verbrandt. Natuurlijk ‘mag’ dat wel. Wat zij wél ontkennen is dat met zulke kritiek een hele cultuur kan worden afgeschreven als inferieur, achterlijk of waardeloos. Dat lijkt nog steeds een redelijk standpunt. Of is het nazisme een bewijs dat ‘de Europese cultuur’ inferieur of waardeloos is?

Een tweede vraag is belangrijk: wat is eigenlijk de verhouding tussen een individu en een ‘cultuur’? Die verhouding is volgens moderne antropologen complex en wederkerig: een individu wordt gevormd door zijn cultuur, maar andersom verandert een cultuur ook door toedoen van individuen. Dat is wat filosofen onder meer bedoelen met termen als Bildung en civilisation. Voor Herder was de taal het medium waarin cultuur en individu elkaar treffen. En die romantische blik op de taal zie je nu nog, in het hameren op het grote belang van taalonderwijs voor de integratie van immigranten.

Maar een individu is geen afgerond cultureel ‘product’, dat aan de lopende band wordt afgeleverd. Cultuur is zelf een heterogeen begrip: complex, veranderlijk, en naar buiten toe ‘open’. Natuurlijk hebben culturen een eigen karakter, een ‘kern’ –- maar zelfs die is complex en veranderlijk. De relatie tussen individu en cultuur is met andere woorden dialectisch (in ontwikkeling) en reflexief (gekenmerkt door reflectie en kritiek).

Nu dan terug naar dat panel. In de betekenis van ‘gelijkwaardigheid’ die de opiniejournalist daar gebruikt – gelijk in het naleven van de huidige mensenrechten – kun je inderdaad niet zeggen dat culturen gelijkwaardig zijn. Maar evenmin – in het volgen van moderne morele regels – dat individuen dat zijn.

Je kunt beter een andere betekenis van gelijkwaardig gebruiken. Het betekent dan: aanspraak kunnen maken op erkenning, serieus genomen worden als een geheel van menselijke creaties dat natuurlijk óók – zoals alles wat je serieus neemt – kan worden aangesproken en bekritiseerd.

En dat laatste heeft zin. Want een cultuur is geen vaststaand ‘ding’, maar een open project – dat kan, soms moet, en altijd zal veranderen. Net als een mens, inderdaad.

    • Sjoerd de Jong