De bevrijders willen nu ook contracten

Ruim 25 regeringsleiders praten morgen in Parijs over hulp aan Libië. Maar achter de schermen lobbyen ze ook hard voor de economische belangen van hun eigen land.

Een Libische rebel, eerder deze week, bij een checkpoint van het raffinaderijcomplex in de havenstad Ras Lanuf. Foto Reuters A Libyan rebel fighter sits on an office chair close to a checkpoint at the entrance of the oil port city of Ras Lanuf August 27, 2011. REUTERS/Esam Al-Fetori (LIBYA - Tags: POLITICS CIVIL UNREST) REUTERS

Ook na de val van Tripoli blijft de Franse president Sarkozy de hoofdrol opeisen inzake Libië. Morgen zit hij, samen met de Britse premier Cameron, een grote conferentie in Parijs voor over de toekomst van Libië. Tijdens de top, waarbij 25 leiders worden verwacht, willen Sarkozy en Cameron de Libische Nationale Overgangsraad verdere steun toezeggen. Het zal gaan over hulp, wederopbouw, veiligheid en de rechtsstaat, zegt de Franse regering.

Voor het Verenigd Koninkrijk zou het over iets heel anders moeten gaan, vindt Christopher Meyer, Brits oud-ambassadeur in Washington tijdens de Irak-oorlog. Namelijk over olie, schrijft Meyer deze week in het conservatieve weekblad The Spectator.

Londen moet volgens Meyer niet worden „meegezogen” in vage beloften over opbouw van de rechtsstaat en vredeshandhaving, maar in plaats daarvan hard lobbyen bij de overgangsraad, zodat Britse bedrijven een „royaal deel” van de opdrachten van het nieuwe Libië krijgen.

Het is een les uit de Irakoorlog, schrijft hij. Toen kwamen de Britten te laat in actie en zagen alle contracten naar Amerikaanse bedrijven gaan. Van de „onsentimentele” en „realistische” Amerikaanse oud-minister James Baker kreeg Meyer toen het advies: „wacht niet tot de oorlog en vraag dan beleefd om contracten”, maar „eis direct een eerlijk deel van de opdrachten.”

Er zijn aanwijzingen dat de Realpolitik waar Meyer zo op aandringt, allang de praktijk is. Éric Denécé, directeur van het Centre Français de Recherche sur le Renseignement (CF2R), een denktank in Parijs gespecialiseerd in inlichtingenwerk, deed in maart en april het rebellenbolwerk Benghazi aan. Denecé zag daar, vertelt hij telefonisch, „contracten over olie tussen de overgangsraad en Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten”. In de contracten, die volgens Denécé niet openbaar zijn, zou staan dat de drie landen hun oorlogskosten „terugkrijgen” in de vorm van olie- en gasconcessies voor eigen bedrijven. „Na restitutie krijgen de landen in de toekomst ook verdere voordelen”, aldus Denécé, eerder werkzaam bij de Franse militaire inlichtingendienst.

De papieren die Denécé zegt te hebben gezien, zouden bevestigen wat al enkele weken in internationale kranten is te lezen: de westerse landen willen van de nieuwe Libische leiding compensatie voor hun acties tegen Gaddafi. Het gaat niet alleen om olie en gas, maar ook om opdrachten voor de reparatie van havens, wegen en telecomnetwerken.

Weliswaar gold economisch gewin niet als de hoofdreden voor de Fransen en de Britten om tegen Gaddafi ten strijde te trekken. Er bestond grote druk van de publieke opinie om het geweld van de kolonel tegen de eigen bevolking te stoppen. „Sarkozy was het vooral te doen om zijn herverkiezing in 2012”, zegt Denécé. Maar toen de operatie tegen het Gaddafi-regime eenmaal in gang was gezet, drong vooral in Parijs door dat een militaire overwinning ook economische kansen zou creëren. „Libië is een rijk land, en we moeten aan de toekomst denken”, tekent de Franse krant La Dépêche du Midi op uit de mond van diplomaten.

Frankrijk wil niet opnieuw als koloniale macht worden betiteld. Maar achter de schermen bouwde het actief aan militaire en economische contacten met de Libische rebellenleiding. Managers van de olie-en gasfirma Total bezochten de Nationale Overgangsraad in Benghazi. Komende maand vertrekt een Franse handelsmissie naar Libië, met als deelnemende bedrijven onder meer Total en telecombedrijf Alcatel. Volgende week organiseert werkgeversorganisatie Medef een conferentie over Libië in het bijzijn van vertegenwoordigers van de overgangsraad en van het Franse ministerie van Financiën. Gisteren bestelde de Libische leiding alvast voor zo’n 46 miljoen dollar aan graan bij Franse bedrijven.

Londen dreigt de wedloop met de Fransen te verliezen, vreest oud-ambassadeur Meyer. De Libisch-Britse Kamer van Koophandel wil weliswaar komende maand op bezoek gaan in Libië, maar wil eerst kijken of het veilig genoeg is in het land. Oliegigant BP begon in 2007 met olie- en gaswinning in Libië, nadat oud-premier Tony Blair de banden met het Gaddafi-regime had aangehaald. Vermoedelijk heeft BP, net als Total, al intensief gesproken met de overgangsraad. Libië-specialist Alexis Crow van denktank Chatham House zegt dat BP zijn activiteiten in Libië wil uitbreiden, na de actieve rol van de Britse regering in het conflict. „Er zijn berekeningen die erop wijzen dat het aandeel van BP in de Libische oliewinning kan stijgen.”

Tot voordeel van Franse en Britse bedrijven strekt dat hun regeringen al stevig aanwezig zijn in het nieuwe Libië, zowel militair als diplomatiek. Beveiligd door Franse commando’s heropende de Franse vicegezant bij de overgangsraad, Pierre Seillan, deze week de ambassade in Tripoli. Voorlopig houden de Fransen hun provisorische ambassade in Benghazi nog aan. Ook de Britten willen terug naar Tripoli. Hun vertegenwoordiging in Benghazi is momenteel de op één na grootste in het Midden-Oosten, na die in Kairo. Enkele tientallen Britse en Franse militairen adviseerden de rebellen, hielpen met het aanwijzen van luchtdoelen en „vochten ook mee”, zegt Denécé. „De rebellen stelden niets voor. Zonder hulp van buitenaf was Gaddafi nooit verjaagd.”

Italië, de oud-kolonisator van Libië en de belangrijkste investeerder ten tijde van Gaddafi, slaat de activiteit van met name de Fransen met zorg gade. Rome aarzelde lang met de erkenning van de overgangsregering in Benghazi. We zijn niet met Frankrijk verwikkeld in een race om de meest lucratieve contracten, bezwoer minister van Buitenlandse Zaken Frattini vrijdag. Maar de opluchting was groot toen oliemaatschappij Eni deze week bekendmaakte dat met de overgangsraad een memorandum is getekend. De gaspijpleiding tussen Libië en Sicilië, die sinds februari ongebruikt is, zal zo snel mogelijk weer gas doorvoeren.

M.m.v. Marc Leijendekker

    • Mark Beunderman