Bouteflika koopt revolutie met olie af

Familieleden van Gaddafi zijn uitgeweken naar een van de weinige buurlanden waar de Arabische Lente niet doorzette. Maar waarom niet eigenlijk? Rellen waren er wel, en ook werkloosheid en een politieke impasse.

De Algerijnse oproerpolitie in actie tegen een verboden betoging, die in januari leidde tot ongeregeldheden in het centrum van de hoofdstad Algiers. Foto Reuters Riot police block protesters as they try to disperse them during a demonstration in downtown Algiers, January 22, 2011. A small group of Algerian opposition supporters trying to hold a banned protest clashed with police in the capital and several people were injured, protest organisers and official media said on Saturday. REUTERS/Farouk Batiche (ALGERIA - Tags: POLITICS CIVIL UNREST) REUTERS

In een vergaderzaaltje drie hoog in het centrum van de Algerijnse hoofdstad wordt de revolutie beraamd. Nou ja: een mini-revolutie. Een tiental activisten is hier vandaag bijeen om acties te plannen tegen de arrestatie van Mouhib Khattir, de burgemeester van Zeralda, een buitenwijk van Algiers. Die belandde begin juli in de gevangenis op beschuldiging van corruptie, nadat hij zelf nota bene de corruptie in zijn gemeente had aangeklaagd.

„We moeten dringend onze Facebook-strategie herzien”, zegt activist Amine Menadi (28). „Vorige keer hadden 2.375 mensen beloofd aanwezig te zijn en daarvan is niemand komen opdagen. We hebben echte mensen nodig, geen virtuele.”

Het is met prikacties als deze dat de activisten het vuur brandend houden in afwachting van de dag dat Algerije klaar is voor een omwenteling op grotere schaal. „Alle voorwaarden zijn vervuld in Algerije”, zegt Menadi. „Het enige dat ontbreekt is een politiek programma waar de mensen zich achter kunnen scharen.”

In januari leek het even alsof het moment was gekomen. Nadat de zelfverbranding van Mohammed Bouazizi in Tunesië had geleid tot een volksopstand tegen president Ben Ali, kreeg Bouazizi’s wanhoopsdaad in eerste instantie in Algerije het meeste navolging. Op 5 januari braken in de wijk Bab el Oued rellen uit die zich in hoog tempo over het hele land verspreidden. Maar de Algerijnen wisten beter.

Adlène Meddi, auteur en hoofdredacteur van de weekendeditie van El Watan, herinnert zich hoe in 2004 de 41-jarige Taleb Djamel zichzelf in brand stak bij de ingang van het Maison de la Presse, waar de meeste Algerijnse kranten kantoor houden. „Sindsdien is het fenomeen in Algerije banaal geworden. Het gebeurt gemiddeld twee keer per week. Het haalt nog amper de krant.”

Wat hij wil zeggen: de rellen van januari, die na vijf dagen plotseling ophielden, hadden weinig of niets te maken met de ‘Arabische lente’. In Algerije zijn er immers altijd rellen: meer dan 11.000 in 2010 volgens cijfers van de gendarmerie.

De directe aanleiding in januari was de combinatie van een scherpe prijsstijging voor de basisbehoeften, een hard optreden tegen de informele economie, en het nieuws dat alle politiemannen een loonsverhoging van 50 procent hadden gekregen met terugwerkende kracht tot 2008. „Vooral dat laatste heeft veel mensen geshockeerd”, zegt Meddi. „Waarom de politie en wij niet?”

De loonsverhoging voor de politie zette het licht op groen voor alle beroepscategorieën om hetzelfde te eisen. De dokters sleepten in mei een loonsverhoging van 70 procent in de wacht, de universiteitsprofessoren zelfs 200 tot 300 procent. De dokwerkers, het personeel van staatsinstellingen als Algérie Télécom en Air Algérie, de apothekers: allemaal staken ze hun hand uit. De imams kregen een extraatje voor hun hulp bij het kalmeren van de jongeren. Voor de jongeren zelf kwamen er goedkope leningen.

„Dit is ons probleem: als Algerije arm was, dan was de revolutie hier al een feit geweest”, zegt Amine Menadi. „Maar de inkomsten uit gas en olie staan het regime toe om de sociale onvrede af te kopen.” Hij verbetert zich: „Ze kopen de sociale onvrede niet; ze huren haar alleen maar.”

Wat ook verhindert dat er in Algerije een beweging op gang komt naar het model van Tunesië en Egypte is het ontbreken van een politieke component. Een poging om de sociale onvrede om te buigen in een politieke beweging mislukte. Toen de nieuw opgerichte CNCD (Nationale coördinatie voor democratische verandering) op 12 februari een verboden mars op Algiers organiseerde, liepen de cijfers over de opkomst zoals gewoonlijk sterk uiteen: 250 volgens de politie, 3.000 volgens de organisatoren. Over de opkomst van de oproerpolitie was er geen onenigheid: zij waren met 20.000 op het appèl. Het CNCD is sindsdien uiteengevallen in ruziënde facties.

De activisten zitten ook met een pr-probleem, geeft Menadi toe. „Tegen wie moeten wij in opstand komen? Wij hebben geen Ben Ali of Mubarak van wie het vertrek kunnen eisen. Wij hebben Bouteflika, maar als je de president aanvalt, dan val je een hele generatie aan die gelooft dat ‘Boutef’ de enige is die ons tegen het terrorisme kan beschermen.”

Dat is het andere grote verschil tussen Algerije en de rest van de Arabische wereld. Autocratische leiders in Tunesië en Egypte kregen steun van het Westen wegens de theoretische dreiging van de radicale islam. Maar in Algerije was die dreiging juist reëel. De 74-jarige Abdelaziz Bouteflika mag dan evenzeer een autocraat zijn, niemand is vergeten dat hij een einde maakte aan de bloedige burgeroorlog van de jaren negentig, die aan 150.000 tot 200.000 Algerijnen het leven kostte.

Bouteflika deed dat op dezelfde manier waarop hij nu de sociale vrede afkoopt: hij trok zijn portefeuille. Terroristen die bereid waren het geweld af te zweren kregen amnestie, geld en huisvesting. De nabestaanden van beide kanten werden gecompenseerd op voorwaarde dat ze afzagen van verdere juridische actie. De rol van het leger bij de begane wreedheden ter discussie stellen werd bij wet verboden.

Voor het huidige regime blijft het ‘zwarte decennium’ een uitstekend argument om politieke hervormingen te weigeren. Het was immers Algerijes flirt met de democratie die de opkomst van het Islamitisch Heilfront (FIS) mogelijk maakte. Toen het FIS in 1991 de verkiezingen dreigde te winnen greep het leger de macht. Het FIS werd verboden en zijn militanten namen de wapens op. Maar die lezing van de geschiedenis overtuigt steeds minder Algerijnen. „Wat men nu de Algerijnse lente noemt, was altijd bedrog”, zegt Ait Larbi. „Men heeft destijds een politiek landschap gecreëerd met klonen van de eenheidspartij FLN.”

De ervaring van de voorbije dertig jaar heeft van de Algerijnen een achterdochtig volk gemaakt. „Onze lente is kort geweest en we hebben hem heel duur betaald”, zegt Amine Menadi.