Blinde Apple-verheerlijking

Ik heb niets met Apple of Apple-producten. Mijn computer komt van een concurrerende technologiegigant, mijn mobiel komt uit het land van de rijzende zon (en de sushi) en mijn muziek luister ik met een spotgoedkope mp3-speler uit het jaar 1803. Ik heb een fijn leven zonder Apple-producten. Toch heb ik altijd een fascinatie gehad voor de onlangs opgestapte geestelijk vader van al die gadgets die ik niet heb. Ik noem: de iPod, de iPad en de iMac en u weet direct wie ik bedoel: Steve Jobs.

Niet zozeer die gadgets fascineerden mij. Nee, waar ik mij – vooral de laatste vijf jaar – het meest over heb verwonderd, waren de verwachtingen die men van hem had. Hoe kan één mens, één individu omgaan met een bijna onmenselijk verwachtingspatroon? Het lijkt mij verstikkend om zoveel druk op je te hebben, terwijl je slechts één man bent in een bedrijf met bijna 50.000 werknemers. Natuurlijk is de vondst van bijvoorbeeld de iPhone niet toe te schrijven aan alleen Jobs. Maar omgedraaid zou met name Jobs erop aangekeken zijn als het een onflatteus, dik, zwaar en onhandig rampmobieltje zou zijn geworden.

Op de een of andere bijna bovenmenselijke manier is het Jobs en zijn mensen gelukt om niet vaak grote blunders te begaan. Sterker nog: er lijkt de afgelopen jaren een soort blinde Apple-verheerlijking op gang te zijn gekomen. Alles wat Apple lanceerde, werd door een select groepje aanbidders al de hemel in geprezen nog voor ze ook maar een idee hadden wat die iPad eigenlijk allemaal kon. Dit alles is nu theoretisch gezien niet meer Jobs’ probleem, maar de grote vraag is: zullen Jobs en Apple genoeg eigen kwaliteiten hebben om een gescheiden toekomst aan te kunnen?

Funs Elbersen

    • Funs Elbersen