Wij worden hier nu beschoten!

Een man ter plaatse is mooi.

Maar Hilversum moet wel nuchter blijven informeren.

De Noorse journalist Odd Karsten Tveit bleef in de frontlinie op de Westbank kalm verslag doen (1990).

Doe voorzichtig, jongen.

Televisiejournalisten die in gevaar verkeren, worden door hun anchorman bij voorkeur – ook al zijn ze meestal veertigers en vijftigers – aangesproken als „jongen”.

Het overkwam Hans Jaap Melissen, een zeer ervaren crisisverslaggever, vorige week woensdag even voor het NOS Journaal (niet tijdens, zoals de site nrc.nl meldde) in Libië. Dat ging zo.

Herman van der Zandt: „Te horen is dat het vechten nog niet voorbij is.”

Melissen: „Het is chaotisch, vind ik wel.”

En even later: „Ik hoor nu achter mij zware, zware... ah… Ja, dat gaat over ons heen...” Maar dan: „Wij worden beschoten nu hier, met zware granaten!” (knallen)

Van der Zandt: „Oké Hans Jaap, doe voorzichtig...”

Melissen: „Jongens, zoek dekking!” (knallen, geritsel)

Van der Zandt: „Doe voorzichtig, jongen.”

Oorlog roept kameraadschappelijke gevoelens wakker – en jongensromantiek. Dat is een waarheid als een koe. Maar er lijkt in de Libië-crisis ook iets anders aan de hand.

Want Melissen was niet de enige die werd beschoten en daar semi-live verslag van deed in de uitzending. Jan Eikelboom deed in Nieuwsuur woensdag uitgebreid verslag van zijn eigen ervaringen on the road. We zagen hem in een kogelwerend vest en met helm (met de letters ‘TV’ erop geplakt) door de straten van Tripoli rennen.

Het voorafgaande Journaal van 22.00 uur werd in stijl afgetrapt: „In Libië zijn vier Italiaanse journalisten ontvoerd. […] Eerder vandaag zijn 35 buitenlandse journalisten juist bevrijd uit hun hotel in het centrum van Tripoli.”

Daarna was het scherm voor Eikelboom, die met zijn ploeg op sluipschutters stuitte. Hij moest van zijn auto naar een muurtje rennen en weer terug – compleet met schokkerige camerabeelden. Iets eerder was te zien hoe zijn Libische „begeleider”, in een luchtig shirtje, vooruitliep „om even te kijken of het veilig is om opnames te maken.”

Zo worden journalisten zelf nieuws. De Nederlandse correspondenten twitteren ook volop vanuit Tripoli. Technische details over hun apparatuur, maar ook korte verslagen vol geweld en spanning. „Heftig geschoten rond onze school vannacht”, twitterde NOS-verslaggever Lex Runderkamp. „Ons motto: niet bewegen. Hier kan ik in elk geval nog live op het dak.”

Ze krijgen er veel „respect” voor van andere twitteraars.

Begrijpelijk, want het is ook echt riskant wat zij meemaken. De schrijvende pers deed het niet minder: Thomas Erdbrink deed voor NRC Handelsblad indringend verslag van zijn eigen tocht naar Tripoli (De roze villa in Zawiyah is gevaarlijk, 27 augustus).

Maar toch. Waarom met zijn allen op zoek naar die heftige ervaring? „Ja, dat was duidelijk een spannende reis, gevaarlijk ook”, zei presentator Joost Karhof van Nieuwsuur na afloop. Maar wat hadden we geleerd? De reportage van Eikelboom gaf „een indruk van de dag van vandaag”, aldus Karhof, en: „dit is wat hij onderweg meemaakte.”

Natuurlijk moet een omroep of krant „een man op de grond” hebben. Eigen waarneming blijft cruciaal. Maar de tv-verslaggevers deden wel min of meer hetzelfde: een gevaarlijke plek opzoeken, middenin de actie, en hun persoonlijke belevenissen doorgeven. Van een inhoudelijke samenwerking of taakverdeling tussen de reporters was niet veel te merken. En Hilversum blonk niet uit in verhelderend commentaar.

Kortom, het lijkt vooral te gaan om de ervaring – zoals het in de sportjournalistiek vaak gaat om de emotie. De kijker moet het gevoel krijgen dat hij „erbij is”. En natuurlijk dat het écht is, the real thing. Zoals Amerikaanse verslaggevers vlak voordat de camera gaat draaien in de rukwind van orkaan Irene stapten.

Het contrast met een buitenlandse zender als de BBC is opvallend. Ook daar natuurlijk veel wegduiken, rennen en uithijgen, en kogelwerende vesten. Zie bijvoorbeeld de schokkende reportage van Wyre Davies vanuit het ziekenhuis vol lijken in Tripoli. Maar het commentaar was – althans in mijn oren – feitelijk, inhoudelijk en minder gericht op het overbrengen van een heftige ervaring. Davies wond er trouwens geen doekjes om dat hij veel – de oorzaak van het drama, de identiteit van de doden – gewoon niet wist.

Nu heb ik makkelijk praten. De enige hotspot die ik ooit heb bezocht als journalist was de Memre Buku-kazerne in Paramaribo, waar bevelhebber Graanoogst de manschappen probeerde op te zwepen tegen de regering. Toen volgde ook mijn bescheiden ervaring met geweld tegen de pers: een ros voor mijn kop van een militair die vond dat ik niet beleefd genoeg was voor de bevelhebber. Had de hoofdredacteur me ook maar moeten bellen: doe voorzichtig, jongen.

Dat echte oorlogsjournalistiek bloedige ernst is, besefte de Nederlandse journalistiek eens temeer na de schokkende dood van RTL-cameraman Stan Storimans, die in 2008 omkwam bij een Russisch bombardement in Georgië.

Zijn trieste dood stond in scherp contrast met de bravoure van een documentairemaker die in Uruzgan in 2006 een potje meeschoot tegen de Talibaan. Zoals koloniale correspondenten in de negentiende eeuw bewapend meegingen op expeditie tegen de Zulu’s of de Sioux.

Maar journalistiek blijft een vak dat vooral moet informeren. Je kunt heel goed ergens bij zijn zonder te begrijpen wat er eigenlijk gebeurt. Zoals je soms ook iets heel goed kunt uitleggen, zonder te laten zien dat je erbij bent.

    • Sjoerd de Jong