Rechter mag partijlid zijn, mits…

Moeten alle rechters hun eventuele lidmaatschap van een politieke partij opzeggen, nu de nieuwe raadsheer Ybo Buruma vorige week afscheid nam van de PvdA?

De stap van de voormalige strafrechthoogleraar zal menige rechter aan het denken hebben gezet. Het is ook niet niks dat een nieuw lid van de Hoge Raad wiens benoeming tot protesten van de PVV in de Tweede Kamer leidde, vlak voor zijn installatie zijn PvdA-lidmaatschap opzegt.

Het was, zegt hij zelf, bedoeld als geruststelling voor al diegenen die denken dat een PvdA-lid geen goed recht zal spreken over burgers die aan die partij geen boodschap hebben. Of zijn stap deze uitwerking zal hebben, moet afgewacht worden. Enige scepsis is op zijn plaats, gezien de hysterische aantijgingen die de PVV aan het adres van de PvdA pleegt te doen. Maar in elk geval heeft de nieuwe raadsheer gedaan wat hij kon. Tegen de schijn van partijdigheid valt door degene die het betreft ook weinig te doen – over de schijn gaan per definitie de anderen.

Buruma’s positie is bovendien specifiek. Hij was als hoogleraar zestien jaar lang actief deelnemer aan het publieke debat; hij adviseerde de PvdA-fractie in de Tweede Kamer en leverde een bijdrage aan het verkiezingsprogramma van die partij. Hij mag invloedrijk genoemd worden en betrokken. Hij voelde correct aan dat de politieke ophef rond zijn benoeming een handicap is voor het gezag dat hij als raadsheer nog moet opbouwen.

Andere rechters en raadsheren kunnen zich hieraan spiegelen. Ook zij weten dat hun onpartijdigheid steeds boven elke twijfel verheven moet zijn. En dat zij uit de aard van hun functie in hun privéleven bepaalde beperkingen moeten accepteren. Dat geldt volgens de Leidraad Onpartijdigheid van de rechterlijke macht ook voor uitingen van politieke of religieuze overtuiging. Rechters die op partij- of kerkelijke bijeenkomsten gloedvolle betogen afsteken, kunnen later, als onpartijdige rechter op de zitting, aan geloofwaardigheid verliezen. Aldaar dient de rechter zich immers met kracht te kunnen distantiëren van zijn particuliere opvattingen. En wel op een wijze die de burger kan aanvaarden.

De rechter moet daar zelf over waken en moet dat overtuigend doen. Daarbij kan hij zich vastgrijpen aan de gedragsregels over nevenfuncties, gezinsverband, kennissen, vorige werkkring, eerdere belangen, vroegere bemoeienis – het hele netwerk rond de rechter is te toetsen. Waarbij de maatstaf kort samengevat luidt: ‘Kan ik dit maken?’ De aanleiding voor die vraag bergt meestal ook het antwoord in zich. Bij twijfel niet doen. Iedere rechter of raadsheer moet dat in beginsel wel zelf uitmaken. Rechters die maatschappelijk betrokken zijn of hun mening willen toetsen moet het lidmaatschap van een politieke partij zijn gegund. De rechtspraak is niet bedoeld als kloosterorde.

Lees hier de afscheidsrede van Buruma als hoogleraar.

Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht. Volledige naamsvermelding.

    • een onzer redacteuren