Opgejaagde Gaddafi's hebben in Afrika nog veel vrienden

Libië is bevrijd. Niet na een Afrikaanse, maar na een Europese interventie.

Dat zit veel Afrikanen dwars. De Afrikaanse Unie weigert de Libische rebellen te erkennen.

Met gemengde gevoelens kijkt Afrika naar de ondergang van Moammar Gaddafi. Terwijl steeds meer regeringen het nieuwe regime in Tripoli omarmen, weigert de Afrikaanse Unie (AU) de nu regerende Nationale Overgangsraad te erkennen.

Menig Afrikaans leider pinkt een traantje weg over de val van Gaddafi. Een Keniaanse woordvoerder sprak vorige week van „een zwarte dag voor Afrika” en de Zuid-Afrikaanse president Jacob Zuma zei: „Zij die de macht hebben om andere landen te bombarderen, hebben de inspanningen van de Afrikaanse Unie om te bemiddelen ondermijnd.” Zuid-Afrika ligt nu binnen de Verenigde Naties dwars bij het vrijgeven van Libische bevroren tegoeden.

Een ‘Afrikaanse oplossing’, bemiddelen tussen alle strijdende partijen zoals de AU wilde, maakte alleen een kans bij een patstelling in Libië. Nu die is doorbroken, staat de AU voor schut: opnieuw blonk ze uit door krachteloosheid, opnieuw gaf niet Afrika de doorslag maar krachten van buiten het continent. „De AU heeft de controle verloren, ze is incompetent”, becommentarieert Frans Cronje van het Zuid-Afrikaanse Instituut voor Rassenrelaties, een liberale denktank. De Keniaanse premier Raila Odinga drukt het Afrikaanse dilemma zo uit: „Gaddafi’s val is een triomf en een tragedie voor Afrika. Positief, omdat Libië nu vrij is, een tragedie omdat dit is gebeurd met hulp van buitenlandse krachten.”

De ergernis over de betrokkenheid van de NAVO bracht de Zuid-Afrikaanse vicepresident Kgalema Motlanthe er vorige week toe bij het Internationale Strafhof in Den Haag te pleiten voor de vervolging van Gaddafi én die van de bij de campagne in Libië betrokken NAVO-commandanten. Tweehonderd ‘bezorgde Afrikanen’, onder wie oud-president Thabo Mbeki, hebben zich in een open brief uitgesproken tegen de „NAVO-oorlog van agressie”, die „onmiddellijk moet stoppen”. Op een persconferentie vorige week in Johannesburg zei een van de initiatiefnemers, hoogleraar Chris Landsberg, dat de „schurkenstaten” Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten militaire middelen gebruiken „om Afrika te herkoloniseren”.

Dat sentiment is wijdverspreid in Afrika. Net als president Robert Mugabe van Zimbabwe wordt Gaddafi eerst van zijn positieve kant bekeken. En die zijde toont Libië dat onder Gaddafi meer dan enig ander Afrikaanse land financieel en materieel bijdroeg aan anti-koloniale verzetsbewegingen, zoals het Zuid-Afrikaanse ANC en het Zimbabwaanse Zanu. Op een continent waar het anti-koloniale sentiment nog sterk leeft, klonken Gaddafi’s tirades tegen het Westen als een heroïsch vrijheidslied. Zijn betuttelende houding tegen zwart Afrika en zijn desastreuze interventies in Tsjaad in de jaren tachtig, Soedan, Liberia en Sierra Leone werden snel vergeten.

Met investeringen van miljarden euro’s bouwde Gaddafi een vriendennetwerk op het continent. Vele staatshoofden legden de rode loper voor hem uit. Ongeveer 15 procent van de begroting van de AU werd door Gaddafi’s Libië bekostigd. En zijn invloed was het sterkst in de naburige landen in de Sahel. Tienduizenden arbeiders uit die straatarme landen vonden werk in Libië en de afgelopen maanden zouden huurlingen uit West-Afrika voor Gaddafi’s hebben gevochten. In het bijzonder de leiders van Tsjaad en Mali onderhouden goede relaties met Gaddafi. En Burkina Faso, dat als deelnemer in het Internationaal Strafhof de verplichting heeft Gaddafi te arresteren, bood hem zelfs asiel aan.

De AU wil de rebellenraad in Libië niet alleen niet erkennen, ze uit al dagen forse kritiek op de nieuwe machthebbers. AU-voorzitter Jean Ping beschuldigde de rebellen gisteren van het lukraak doodschieten van zwarte mensen. Volgens Ping worden eerlijke gastarbeiders zonder pardon op een hoop geveegd met huurlingen.