Het is nog wennen zonder Gaddafi

Op het Groene Plein kan iedereen nu zijn mening geven over Gaddafi en zijn familie, die zonder scrupules de staat voor eigen gewin gebruikten. Sommigen hopen dat hij terugkomt.

Voor het eerst sinds de val van Tripoli is het ’s ochtends weer druk op het Groene Plein. De reden is onmiddellijk duidelijk. Er zijn hier twee banken, en de nieuwe regering heeft elke familie 250 dinar (145 euro) beloofd. Om water en eten van te kopen, maar ook nieuwe kleren voor het slotfeest van de ramadan, dat in Libië pas morgen wordt gevierd.

Onder een groepje mannen dat staat te praten voor de nog gesloten bank bevindt zich de 52-jarige zakenman Hassan Tajouri. „We zijn verhalen aan het uitwisselen over Gaddafi”, vertelt hij. „Gewoon, omdat dat nu kan.”

Het gesprek ging over het bloedbad in de Abu Salim-gevangenis in 1996, en hoe de families van de slachtoffers jarenlang eten bleven sturen naar gevangenen die allang dood waren. Het is een bekend verhaal in Libië, maar zoals Tajouri zegt: „Als we hier een week geleden over hadden gesproken op het Groene Plein dan waren we zelf in de Abu Salim-gevangenis beland.”

„Zeg dat nu niet: Groene Plein. Dit is nu het Martelaarsplein”, komt iemand ertussen. Tajouri geniet volop van de vrijheid van meningsuiting. „Ik adem de vrijheid met volle teugen in”, zegt hij. „Eindelijk kan ik zeggen wat ik wil.”

Of hij niet bang is dat het Gaddafi-regime alsnog op de een of andere manier gaat terugslaan? „Nooit! De NAVO en de andere Arabische landen zouden dat nooit toestaan.”

Maar anderen vertrouwen het nog niet. Wanneer de journalist een vraag richt tot de talrijke toehoorders, moeten ze allemaal plots dringend ergens naartoe.

Vrijheid van meningsuiting betekent dat Gaddafi-aanhangers ook voor hun mening mogen uitkomen. Op een bankje midden op het Groene Plein zitten drie jonge vrouwen. Twee van hen zijn zussen, bloedmooie vrouwen, met zorgvuldig geëpileerde wenkbrauwen, authentiek ogende Ray Ban-zonnebrillen en dito Louis Vuitton-handtassen.

„Kijk maar: dat is het nieuwe Libië”, zegt een van hen misprijzend. „Een beetje staan aanschuiven voor een miezerige 250 dinar. Toen Gaddafi geld uitdeelde, was het tenminste nog 500 of duizend dinar. En we hadden nooit problemen met water of elektriciteit. Nee, geef mij maar het oude Libië.”

Met een glimlachje dat suggereert dat ze niet de waarheid spreekt, geeft ze haar naam: Haifa Ali. Ze is bij haar zus ingetrokken, zegt ze, omdat haar buren weten dat ze pro-Gaddafi is. Ze is bang voor represailles.

Van de nieuwe machthebbers hebben deze vrouwen geen hoge dunk. „De stad is vergeven van jongens met wapens. Ze zullen die nooit allemaal kunnen afnemen. Geloof mij: straks is Libië zoals Somalië”, zegt Samya Wahel, een vriendin van de twee zussen.

Bij een van de banken sneuvelt een ruit. „Zie je wel”, sneert Wahel. „Onder Gaddafi had iedereen netjes in de rij gestaan.”

Ze geven wel toe dat zij in het nieuwe Libië ongehinderd hun mening mogen geven, terwijl het omgekeerde niet waar was. „Misschien moet Gaddafi, wanneer hij straks terug aan de macht is, zich wat soepeler opstellen op dat vlak”, zegt Wahel.

Haifa geeft de voorkeur aan veiligheid boven vrijheid van meningsuiting. Ze heeft hoop, zegt ze. „Gaddafi komt nog terug.”

    • Gert Van Langendonck