Grunberg begint met 'n klein moment van gêne

In de voorstelling Am Ziel, nu op het Nazomerfestival, speelt Arnon Grunberg de rol van schrijver.

„Ik wil meer doen dan een beetje mezelf zijn.”

Acteurs en regisseurs vinden het bijna altijd een beetje vervelend als een journalist naar een repetitie komt kijken. Bij de voorstelling Am Ziel speelt dat nog meer dan gewoonlijk. „Repeteren is toch een intiem proces”, zegt regisseur Judith de Rijke achteraf ter verklaring van haar schroom. „Met een toeschouwer van buiten wordt een repetitie toch een soort voorstelling, een beetje striptease onder ongunstige omstandigheden.” Maar dan blijkt dat een van de drie acteurs geen bezwaar heeft tegen onze komst, en dat verandert de zaak.

Dus zit de verslaggever op een regenachtige ochtend in een repetitiezaaltje op de Amsterdamse Wallen. Erg nieuwsgierig, nog meer dan bij een ‘normale’ theaterproductie – want die ene acteur is een dilettant-acteur, de schrijver Arnon Grunberg.

Am Ziel is uit 1981, een van de belangrijkste werken van de Oostenrijkse toneelschrijver Thomas Bernhard (1931-1989). Een ‘moeder’, hier gespeeld door Raymonde de Kuyper, gaat met haar dochter, hier Lieke-Rosa Altink, sinds jaar en dag ’s zomers naar hun huis aan zee. Deze keer hebben zij een ‘dramatische schrijver’, die zojuist veel succes heeft gehad met zijn stuk Redde wie zich redden kan, gevraagd hen daar een paar dagen te vergezellen. Voor een deel lijkt de uitnodiging verband te houden met het streven voor de dochter een man te zoeken. Maar het pakt ongezellig uit: de moeder, die in de drie uur die het stuk duurt verreweg het meest aan het woord is, slaagt erin haar omgeving psychisch te pletten: haar dochter, sinds jaar en dag, misschien vroeger ook haar overleden echtgenoot over wie zij het voortdurend op weinig vleiende toon heeft. En ten slotte ook de bezoekende schrijver. Die komt, psychisch gedemonteerd en vernederd, nooit meer weg.

Gerepeteerd wordt een scène voor moeder, dochter en schrijver. Grunberg bloost bij de eerste claus die hij moet zeggen – een klein moment van gêne, lijkt het. Je kunt zien dat hij geen professioneel acteur is, die niet zonder meer iets wat hij op een bepaald moment doet, even later heel anders kan opzetten. Maar De Rijke lijkt dat van hem ook niet te vergen – ze werkt, op de momenten dat we erbij zijn, voornamelijk met de twee professionele actrices en laat Grunberg met rust.

De volgende ochtend zit Grunberg in zijn favoriete Amsterdamse hotel aan het ontbijt. De Rijke voegt zich bij ons. Deze regisseur/toneelschrijver regisseerde in 1991 al het door Grunberg voor haar geschreven stuk Van Palermo naar San Francisco en in 1999 de toneelversie van Grunbergs roman Figuranten, maar ze kenden elkaar al langer. Vorig jaar heeft ze de schrijver in een mail gevraagd of hij in Am Ziel de schrijver wilde spelen. „Ik wilde al heel lang Am Ziel doen”, vertelt ze. „Maar ik was ook op zoek naar een nieuwe invalshoek, ik wilde er iets intelligents mee doen. En toen dacht ik aan Arnon. Ik zág het hem gewoon doen, hoorde zijn stem en manier van praten als ik de rol van de schrijver las. Volgens mij zou bijna elke uitspraak van de schrijver in het stuk een uitspraak van Arnon kunnen zijn.”

Vindt Grunberg dat zelf ook? „Dat hangt ervanaf hoe ironisch Thomas Bernhard als auteur tegenover de uitspraken van zijn personage staat”, zegt deze na enig nadenken. „Maar die obsessie die de schrijver in het stuk heeft met mislukking, die deel ik wel. Het is een heerlijke tekst.”

Die congruentie tussen personage en de acteur die hem speelt kan dramatisch ook heel beperkend zijn, opper ik. „Nee”, meent De Rijke, „de waarheid in het stuk kantelt voortdurend. Als ik steeds zou weten wat Arnon vindt en beslist te doen, dan zou het saai kunnen worden. Maar hij wandelt precies op de lijn tussen zichzelf en het personage. Daardoor blijft het leven, blijft het dynamisch.”

In hoeverre geeft Grunberg zijn rol vorm vanuit een bepaalde kijk op het personage? Grunberg: „Ik denk dat je als acteur dienstbaar moet zijn aan de regisseur. Ik kan wel een idee hebben, maar als Judith zegt ‘dat is niks’, dan gaat het niet door. We hebben het samen meer over de vorm dan over de inhoud. Wat ik speel is eigenlijk een ironisch commentaar op de schrijver, en daarmee wellicht op mijzelf. De schrijver in het stuk vertegenwoordigt eigenlijk het failliet van alle schrijvers – Thomas Bernhard laat hem ook uitspraken doen over het literaire bedrijf. Hij is natuurlijk enorm serviel: hij komt binnen als iemand, maar aan het eind zou hij net zo goed vermoord kunnen worden. Er blijft niets van hem over.”

„Kijk, ik ben natuurlijk geen acteur”, zegt Grunberg wat later. „Ik ben gevraagd omdat ik een schrijver ben. Ik ben me er wel van bewust dat het publiek straks denkt: ha, daar komt Arnon Grunberg op. Maar tegelijkertijd wil ik iets meer doen dan alleen mezelf spelen.” De Rijke: „Dat verdraagt het stuk ook niet.” Grunberg: „Maar ik doe niet mee om te bewijzen dat ik kan acteren. Als Judith tevreden is, ben ik blij.”

Het is, zegt Grunberg, voor hem meer „een experiment”, zoals hij onder de noemer ‘Grunberg onder de mensen’ eerder kamerjongen in een Beiers hotel is geweest, of meetrok met militairen door Afghanistan, of Amerikanen volgde die in Oekraïne op zoek gingen naar een vrouw. „Als ik in Beieren een kamer schoonmaakte, probeerde ik dat zo goed mogelijk te doen, en zo is het hier ook. Dus ik zou het wel leuk vinden als het publiek straks niet zou zeggen: je kunt wel zien dat die Arnon een schrijver is en geen acteur.”

Grunbergs vermoedt niet al te veel last van plankenkoorts te zullen hebben. „Ik ben er niet heel erg bang voor, ik hoef er geen carrière in te maken. En ik voel me veilig: ik heb er met leuke mensen aan gewerkt en ik heb het goed naar mijn zin op de repetities.”

Voelt hij zich meer beschermd dan wanneer hij ergens een lezing geeft bijvoorbeeld? „Ja, omdat je meer een instrument bent. Ik zou dit nooit hebben gedaan als het stuk mijn eigen tekst was. Dat zou ik echt een ramp hebben gevonden. Nu ben ik alleen verantwoordelijk voor wie ik speel. Als ik ook nog eens verantwoordelijk was voor de tekst en tijdens de voorstelling zou moeten aanhoren hoe je tegenspeelster tekst spreekt die jij hebt geschreven – ik denk niet dat ik die knoop zou kunnen ontwarren. Dat zou te moeilijk zijn.”

De Rijke lijkt de verwachting van Grunberg dat hij geen last zal hebben van plankenkoorts, met lichte bezorgdheid aan te horen. „Zelfs professionele acteurs hebben daar last van”, zegt zij. „Je hebt die energie ook nodig.” Het werk met dilettant-acteur Grunberg, zegt ze, is niet heel verschillend van dat met een professionele acteur. „Ik vind het eerder spannend, dan dat ik denk dat ik allerlei dingen mis. Anders zou ik Am Ziel ook niet doen – het is drie uur lang, dat betekent dat je veel aan de acteurs moet overlaten. Bij een professioneel acteur moet je ook zoeken. Alleen kan een ervaren acteur natuurlijk zijn paadje weer schoonmaken om een nieuwe richting in te slaan. Dat probeer ik bij Arnon niet te doen: ik probeer heel gericht te sturen en niet te veranderen in wat ik zeg.”

Wanneer de fotograaf Grunberg en De Rijke vraagt om in een steegje naast het hotel een toneelstukje op te voeren, waarbij de regisseur haar acteur aanwijzingen geeft, is er weer even zo’n kort moment van gêne. ‘Vormvastheid’ noemt De Rijke het voornaamste, dat in de komende repetitiedagen nog tot stand moet komen. „Maar je zou er natuurlijk ook best nog een jaar aan kunnen werken.”