Een nieuwe zijderoute om Xinjiang te 'bevrijden'

Met een „zee van geld en economische ontwikkeling” wil China de conflicten met Oeigoeren in de provincie Xinjiang oplossen. Maar of dat lukt? „Die Oeigoeren willen terug naar de Middeleeuwen.”

Zijn Oeigoeren dan toch die luie, werkschuwe „tulbanden”, die zij in de soms meedogenloos accurate Chinese volksmond heten te zijn? Nee, nee, nee, schudt Umair Bahaguti zijn gladgeschoren hoofd. „Zij zijn alleen niet goed opgeleid, een beetje ongedisciplineerd en de meerderheid zit gevangen in tradities”, denkt de 39-jarige Oeigoerse bedrijfsleider van de Mengniu-zuivelfabriek in de West-Chinese oasestad Kashgar.

De vraag aan de in Shanghai opgeleide bedrijfseconoom was of de Oeigoeren in de altijd onrustige provincie Xinjiang wel willen profiteren van de aanleg van de „21-ste eeuwse Zijderoute”. Hij had verteld hoe lastig het is om geschikt Oeigoers personeel te werven, terwijl er banen in overvloed zijn.

En, voegde hij er aan toe, „geen van de 130 Oeigoerse mannen die ik het afgelopen jaar heb aangenomen voor los- en laadwerk en de verpakkingsafdeling had de lagere school afgemaakt, geen van hen had ooit vast werk gehad, de Chinezen allemaal wel.”

Het vergde, vertelde hij, bijna een jaar om hen te leren op tijd te komen, simpele instructies te verstaan en ook na de wekelijkse uitbetaling van de lonen de volgende dag weer aan het werk te gaan.

Vrouwen rekruteren was nog lastiger. „Ik had graag meer vrouwen aangenomen, maar de meeste vrouwen mogen hier niet werken omdat hier ook mannen werken, of omdat ze gezichtsbedekkende hoofddoeken dragen, wat niet is toegestaan in ons bedrijf, ook niet op kantoor. We moeten vanzelfsprekend de Chinese regels volgen”, zegt Umair. Hij slaat, om zijn woorden kracht bij te zetten, met twee vlakke handen op de tafel in Eden Café.

Hier in Kashgar, de meest westelijke stad van China, bevindt zich de nieuwste ‘Speciale Economische Zone’. Miljarden yuans van de nationale en provinciale overheden en staatsbedrijven, alles bij elkaar bijna 200 miljard euro, stroomt naar China’s grootste en tegelijkertijd dunst bevolkte provincie.

Terwijl Europa en de Verenigde Staten worstelen met schuldencrises beschikt China over ruim voldoende middelen om geïsoleerde oases in het reusachtige Xinjiang tot ontwikkeling te brengen. Kashgar, waar vanaf het begin van de jaartelling tot de Middeleeuwen de Noordelijke en Zuidelijke Zijderoutes bijeenkwamen, moet opnieuw een commercieel centrum worden in het verkeer naar Centraal- en Zuid-Azië. Tegelijkertijd proberen de Chinese autoriteiten de steeds weer opnieuw oplaaiende conflicten te smoren.

Vanaf de jaren ’90 vonden hier 350 aanslagen plaats, waarbij volgens Chinese en Oeigoerse tellingen 160 Han-Chinezen (burgers en militairen) en bijna duizend Oeigoeren omkwamen. Het plan is het conflict „te laten verdrinken in een zee” van geld en economische ontwikkeling. Erg succesvol zijn de autoriteiten niet, want eind juli kwamen bij aanslagen op Han-Chinese restaurants en een politiebureau in Kashgar en Hotan twintig Chinezen en zestien Oeigoeren om.

„Ik denk dat er minder aanslagen worden gepleegd als de Oeigoeren ook kunnen delen in de nieuwe Chinese welvaart. De werkloosheid onder Oeigoeren is veel hoger dan het officiële cijfer van 3,8 procent. Dat betekent dat ook wij Chinees als tweede taal moeten leren spreken en ons onderwijs moeten verbeteren, willen wij profiteren van de nieuwe ontwikkelingen”, zegt Umair Bahaguti.

Chinese media schreven dat Kasghar na de aanslagen van eind juli op de toppen van de zenuwen leefde, maar in Eden Café is daar weinig van te merken. De enige die nerveus is, is uitbater Maimaitiming. Maar dat komt doordat een lid van het Kashgarse Politbureau onaangekondigd binnenkomt met een Han-Chinese gast die de nieuwe partijsecretaris blijkt te zijn.

Gesprekken met Umair Bahaguti en later met zijn nicht Ya’er nuanceren het beeld van de onder een Chinees juk zuchtende Oeigoerse bevolking. Het gesprek met Umair kwam tot stand via een hoge Oeigoer in het plaatselijke partijapparaat, Aisajiang Aihaiti, lid van het lokale Politbureau. Umair is zelf geen partijlid, er is ook niemand van de partij bij aanwezig.

Umair stelt wel een voorwaarde: geen politieke vragen. Ondanks zijn bevoorrechte status in de door Han-Chinezen gedomineerde maatschappij is hij, net als iedere Oeigoer, altijd op zijn hoede. Kwesties, zoals de regelmatige aanslagen van jihadistische Oeigoeren, mijdt hij: „Ik wil niets met politiek te maken hebben.”

Over zijn studietijd in Shanghai, waar Oeigoeren met de nek worden aangekeken en vrouwen hun tassen dicht aan de borst klemmen als zij een etnisch-Turkse Oeigoer zien, zegt hij alleen: „Het was zwaar en interessant en gelukkig was ik er met vrienden.” Wel wil hij kwijt dat hij denkt dat Oeigoeren geen andere keuze hebben dan uit hun isolement van taal en cultuur te breken. Meedoen met de bikkelhard werkende Chinezen acht hij de enige optie, zeker voor jongeren.

In zijn verhaal over het Chinese arbeidsethos komen dezelfde trekjes terug die van Chinese emigranten in de VS of in Nederland „droomallochtonen” hebben gemaakt. Voor plattelands-Chinezen uit Sichuan, Hunan en Guangdong zijn steden als Kashgar en Urumqi boomtowns waar zij hun dromen over een eigen huis, een auto en een universitaire opleiding kunnen waarmaken tegen prijzen die veel lager zijn dan die aan de oostkust.

Umair kent alle verhalen over achterstelling van Oeigoeren, verdringing van de arbeidsmarkt door Han-Chinezen en de snoeiharde Han-Chinese concurrentie in de sectoren waar de Oeigoeren van oudsher dominant waren, vooral de handel in jade, het groene, zwarte en bruingele ‘goud’.

„De spanningen over alle nieuwe ontwikkelingen zouden minder groot zijn als het onderwijs beter was en dat beginnen de autoriteiten nu ook eindelijk in te zien”, denkt Umair. „Ik zeg altijd dat dat afhangt van het onderwijs. Ik dring er ook vaak op aan dat mensen zich niet moeten afwenden van de Chinezen en niet moeten vluchten in onze eigen cultuur. Gelukkig wordt het onderwijs beter, door de komst van tweetalige middelbare scholen en meer technische scholen”, zucht hij.

De Oeigoerse hoogleraar economie Ilham Tohti in Peking klaagt, of beter vreest, dat de islamitische Oeigoeren slechter en met minder respect worden behandeld naarmate de ontwikkeling van het strategisch gelegen en grondstoffenrijke Xinjiang vordert.

Tohti meent, zegt hij in een telefonisch gesprek, dat Oeigoeren slechter worden behandeld dan boeddhistische Tibetanen en totaal overvleugeld zullen worden. Volgens hem is het veelzeggend dat onder Han-Chinese wetenschappers de belangstelling voor de Oeigoerse taal en cultuur klein is, terwijl die voor Tibet juist groot is.

Umair is het daar niet mee eens: „Ik weet het niet, mijn Chinese baas op het regionale hoofdkantoor in Urumqi spreekt een beetje Oeigoers. Wat ik wel weet is dat de economische ontwikkeling ook aan ons kansen biedt.”

Decennialang hebben de Chinese autoriteiten de Oeigoeren beschouwd als een gevaar voor de harmonie en vooral de stabiliteit in de qua oppervlakte de grootste provincie. Oeigoeren waren op hun best domme boeren en herders en op hun slechts „vijanden die verdronken moesten worden” of „ernstige misdadigers die als ratten van de straat moeten worden verjaagd”.

Deze propagandateksten uit 1997 zijn grotendeels vervangen door slagzinnen als „Laten we Kashgar eendrachtig ontwikkelen en de separatisten verdrijven, want onze volken hebben één hart en één paar ogen”. Na de grote Chinees-Oeigoerse botsingen van 2009, waarbij in de provinciehoofdstad Urumqi 200 doden vielen, wordt Xinjiang niet alleen overspoeld met speciale leger- en politie-eenheden, maar ook met geld, technologie en bedrijven (zie .........).

In een nieuw, tentvormig gebouw aan het Oostmeer van Kashgar is de toekomst in beeld gebracht. Vlakbij het meer en de oude, middeleeuwse stad met huizen van leem en stro lesten eeuwen geleden kamelen en ezels hun dorst. Nieuw Kashgar, waar de Taklamakanwoestijn ophoudt en het Pamirgebergte begint, moet een metropool worden gebouwd met 1,6 miljoen inwoners (in 2020). Met de bouw van achttien nieuwe woon- en zakendistricten is al begonnen.

Op computerschermen verschijnen na een druk op de knop kaarten waarop met blauwe en rode lijnen de oude en nieuwe zijderoutes staan aangegeven. De karavaanpaden worden vervangen door asfalt, spoorwegen en olie- en gaspijpleidingen, de oases door waterkrachtcentrales, vliegvelden met luchthavens waar een kop Yunnan-koffie maar liefst 10 euro kost, en de kamelen door hogesnelheidstreinen en vrachtwagens met airco.

Alle wegen in Centraal-Azië, waar de Russen en Britten in de 19e eeuw hun geopolitieke Grote Spel uitvochten, moeten van en naar Xinjiang en in het bijzonder naar Kashgar en Urumqi leiden. Nog dit jaar wordt hier begonnen met de aanleg van een spoorlijn naar de Pakistaanse hoofdstad Islamabad, een lijn die doorgetrokken zal worden naar Gwadar aan de Arabische Zee. Parallel aan deze spoorlijnen wil China olie- en gasleidingen aanleggen. Gwadar moet, als het aan China ligt, ook een basis worden voor de Chinese marine.

Op zijn kantoor aan het Volksplein met het kolossale standbeeld van Mao die zijn rechterarm als een zwaard omhoog houdt, vertelt het Oeigoerse Politbureaulid Aisajiang Aihaiti (41) over wat hij bij herhaling de „big picture” noemt.

Kern van het verhaal is dat wat de afgelopen dertig jaar in de speciale economische zones van Shenzhen, het ground zero van het Chinese staatskapitalisme, Shanghai en Shangdong is gebeurd nu in het verre westen van China herhaald moet worden.

Shenzhen werd in ruim twintig jaar ontwikkeld van een vissersdorp tot een metropool van 11 miljoen inwoners. Dat kunststuk moet in de woestijn herhaald worden. Aihaiti is in het partijbestuur waarin Han-Chinezen de meerderheid hebben, verantwoordelijk voor deze transformatie van de oasestad.

In een mapje bewaart hij visitekaartjes: een collectie van bouw- en handelsbedrijven, fabrikanten van machines, speelgoed en levensmiddelen. Allemaal willen ze dichter bij hun Centraal- en Zuid-Aziatische markten zitten, gelokt door lage belastingen en andere voordelen.

Partijman Aihaiti zegt dat Kashgar onherkenbaar zal veranderen, ook qua bevolking. Dat is op straat al te zien door de komst van torenflats, Chinese winkelpaleizen met veel licht en glitter, een kermis met een reuzenrad en Audi’s Q7, BMW-7’s en Toyota Landcruisers die naast de fietsende en scooterende Oeigoeren voor het stoplicht staan. Door de komst van Han-Chinese managers en geschoold personeel zijn de onroerendgoedprijzen ondanks de talrijke bouwprojecten sinds begin 2010 verviervoudigd.

Of Aisajiang Aihaiti denkt dat door de economische ontwikkeling de aanslagen zullen stoppen? „Nee, dat verwacht ik niet. Het probleem met de terroristen en de separatisten zal niet verdwijnen, integendeel zelfs. Zij willen namelijk niet, zoals de meerderheid van de Oeigoeren, zien dat Kashgar wordt ontwikkeld. Zij willen dat we terugkeren naar de Middeleeuwen.”

In Eden Café, het favoriete restaurant van de Oeigoerse elite, is Umair’s nicht Ya’er (23) aangeschoven. Zij spreekt langzaam en daardoor goed verstaanbaar Chinees en redelijk Engels, dankzij de extra lessen die zij op de middelbare school heeft gevolgd. Zij was de enige Oeigoerse die aan deze klas deelnam. Niet alleen in dat opzicht is zij een product van Han-Chinees integratiebeleid.

Hoewel haar ouders zeer gelovig zijn, draagt zij geen hoofddoek en volgt zij losjes de regels van de ramadan. Haar ouders hebben zich daar bij neergelegd. „Bevrijdend”, noemt Ya’er het verbod op het dragen van een hoofddoek.

„Ik heb op de tweetalige middelbare school en de universiteit in de klassen Engels Chinese vrienden gemaakt”, lacht zij. Zij is bijna klaar met haar bachelor psychologie en bereidt zich voor op het toelatingsexamen voor de Universiteit van Urumqi om haar masters psychologie te halen.

„Ik vind het heel positief dat Kashgar wordt ontwikkeld – de tijd heeft hier eeuwenlang stilgestaan en het is nog steeds een dorp. Mijn vrienden en vriendinnen denken daar net zo over. Van al die aanslagen tegen de Chinezen begrijp ik niets. Willen we soms terug naar de Middeleeuwen?”, zegt zij onbeschroomd.

Met medewerking van Lu Junting.