De kindsoldatenvan het consumentisme

In onze commerciële schijnwereld is een postbode geen winnaar. Iedereen wil het maken, dus veranderen losers in looters, betoogt Jan Kuitenbrouwer.

Iedereen kent het gebaar. Iedereen maakt het, zo nu en dan. Je strekt je armen, tegelijk spreid je ze, tot ze min of meer parallel zijn, iets beneden ooghoogte, en je kijkt. Je bekijkt een kledingstuk. In winkels over de hele wereld wordt het gemaakt, dit gebaar, elke dag, miljoenen keren. Zou het staan? Zou het passen? Als de gebarentaal nog geen gebaar voor ‘de eigentijdse consumptiecultuur’ kent, zou het een geschikte optie zijn.

Op de foto is het een man die het gebaar maakt. Hij heeft een masker voor, draagt een sweatshirt met hoody, opgeslagen. Verder is nog net te zien dat zijn broekspijpen in hoge schoenen zijn gestoken, zoals bij een soldaat. Deze shopper is niet in de winkel, hij staat ervoor. Achter hem is een kluwen van soortgelijke mannen bezig de winkel in te klimmen, over een half weggebroken rolluik. Onze shopper beoordeelt een spijkerbroek, het label hangt nog aan de achterzak. Zou hij passen? Zou hij staan?

Honderden foto’s zag ik van de Londense rellen, in de kranten, op internet (www.catchalooter.com bijvoorbeeld), maar deze hield mijn blik vast. Minutenlang. Wat was hier aan de hand? Het beeld leek haast gefotoshopt, die onwerkelijke combinatie van twee werkelijkheden, de huiselijke onschuld van een beetje browsen bij H&M, en het chaotische geweld van de stadsguerrilla. Muzak, geremixt met glasgerinkel en sirenes. Consumeren als krijgshandeling.

In brochures van autofabrikanten zag je vroeger weleens een exploded view: de auto in kwestie, als een wolk van individuele onderdelen. Door de opmars van de digitale camera en de sociale media zullen we spoedig van elke historische gebeurtenis zo’n exploded view kunnen samenstellen: elk moment, elk detail wordt vastgelegd vanuit verschillende camerahoeken. Puzzel ze terug in elkaar en je hebt een real time 3D-reconstructie.

Geld maakt niet gelukkig, luidt de troostspreuk der armen. Nee, maar een zeiljacht wel, denk ik dan altijd. Geen geld hoeft niet ongelukkig te maken, maar als je voortdurend ziet hoe geld anderen wel gelukkig maakt, wordt het wel moeilijk om daarin te blijven geloven. Voor veel mensen is armoede een vanzelfsprekendheid, en daarmee is het ook eigenlijk geen armoede meer, maar gewoon, the way it is. Het is de voortdurende confrontatie met de welstand van anderen en de ostentatieve demonstratie van hoe blij en gelukkig ze met hun koopkracht zijn, die frustratie oproept.

De moderne cultuur gaat nog verder: er zijn geen losers meer. ‘Kansarmen’ bestaan niet. Weg met dat ‘slachtofferdenken’. Het verliezerschap is afgeschaft. Je bent misschien nog geen winnaar, maar er wordt aan gewerkt. Waarom moeizaam geld verdienen, bijvoorbeeld, als je ook kunt lenen? Het ei van Columbus. Oprah Winfrey heeft de wereld veel moois gebracht, van zwaardere straffen voor kinderverkrachters tot goedzittende beha’s, maar met haar mantra dat ‘je alles kunt bereiken, als je maar wilt’ heeft ze ook veel onheil gesticht. Zelfs de troost van het slachtofferschap is de verliezers ontnomen. De loserloze samenleving. Meritocratisch fundamentalisme, zou je het kunnen noemen.

Er zijn geen bittere waarheden meer. Hoe zouden we ze aankunnen, zonder godsdienst en ideologie en traditie? We hebben ze afgekocht, met goedkoop geld. Het lijkt een eeuwigheid geleden, maar in de jaren negentig dachten we serieus even dat we het probleem van rijkdom en armoede hadden opgelost. „The good is news is that in ten years you’ll probably be a miljonair”, schreef The Economist in 1999, ‘”the bad news is: so will everyone else.” De geschiedenis was voorbij, schreef Francis Fukuyama.

Alchemie bestond, het geheime ingrediënt voor rijkdom en geluk was eindelijk gevonden: het neoliberalisme. Bij Paars zag je net zoiets: je sluit gewoon het CDA buiten, de tobbers, de achterblijvers, de losers. En in plaats van dat je de samenleving reguleert, laat je dat aan de samenleving zelf over. Dat noemen we ‘zelfregulering’. „Zelfregulering?” zei econoom en Nobelprijswinnaar Stiglitz, „dat is toch een oxymoron?” Maar niemand luisterde. Misschien was het een te moeilijk woord voor de politiek.

Het viel me pas na een tijdje op, turend naar die foto’s van de plunderaars. Het idee lijkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet. Je denkt: de onderklasse neemt het niet langer. Blootsvoets en in lompen trekken ze de dure winkelstraten in en roven wat ze niet kunnen kopen: schoeisel, kleding, een fornuis. Het beeld is evenwel anders: de plunderaars dragen vrijwel zonder uitzondering merkkleding.

Het is een en al Adidas, Nike, Reebok, Asics, Puma en Lacoste dat je ziet. Op de foto van de guerrillero met de spijkerbroek is boven het gekraakte rolluik net de naam Carhartt te lezen: dure Amerikaanse werkmanskleding, in trek bij hiphoppers. Ze eigenen zich niet iets toe wat onbereikbaar is, nee, ze hébben al zo’n garderobe. Ze willen meer! Alles wat de plunderaars weghaalden, jeans, sneakers, tracksuits, horloges, zelfs flatscreens, is bij Zeeman- en Action-achtige winkelketens voor een habbekrats te koop, met dank aan de Chinezen. Maar om eerste levensbehoeften gaat het deze shoppers helemaal niet: diezelfde sneaker, maar dan tien keer zo duur vanwege dat magische logo, the genuine article, dáár het gaat om.

Zo bouwden we aan de neoliberale matrix: een schijnwereld, dichtgetimmerd met glossy billboards, lifestylemarketing, televisie van het genre ‘scripted reality’ en een door ‘beeldvorming’ geobsedeerde politiek. Een wereld zonder pijn en verliezers, gedreven door de schone, duurzame energie van de markt.

En een stemmetje, ergens heel in de verte, dat zegt: ‘Lees de financiële bijsluiter.’ Bijsluiter, het woord zegt het al: eerst kopen, dan lezen. Diep in ons hart weten we allemaal dat gratis geld niet bestaat, maar wie het belooft krijgt het voordeel van de twijfel.

Wat een achterhaald idee was het, bijvoorbeeld, dat bedrijven hun eigen portiers, schoonmakers en servicepersoneel in dienst hebben. Besteed dat uit, koop dat in bij specialisten, ieder zijn competentie! De portiersloges bleven bemand, de prullenbakken werden nog steeds geleegd, de klanten werden te woord gestaan, en dat voor de helft van de prijs! Het toverwoord was ‘flex’, een geraffineerd eufemisme voor de degradatie van die Ahold-portier tot een oproepkracht in de ‘security’. Van een werknemer die het ook nog tot hoofd huishoudelijke dienst kon schoppen tot een veredelde dagloner zonder perspectief. Van een postbode met bescheiden aanzien en een zeker bestaan, tot de zwerfkracht die op zijn eigen rokende brommertje drukwerk rondbrengt voor TNT, of hoe de winnaar van de aanbesteding dat jaar ook mag heten.

Dit zijn hun kinderen. Ze hebben zich aangepast. Ze zijn hip, ze zijn snel, ze zijn flex, met hun air-Nikes en hun lichtgewicht schoudertas. En ze doen het omdat ze het kunnen, en ze kunnen het omdat ze het wíllen.

Het moet op dit moment raar toegaan in de parkeerkelders van de Londense buitenwijken. ‘Yo bro, die afbakpizza, ruilen voor dit Hilfiger-pak?’

Tja. Zou het passen? Zou het staan?

Jan Kuitenbrouwer is journalist.

    • Jan Kuitenbrouwer