Zo wordt Londen een themapark zonder thema

Iain Sinclair, tegendraads chroniqueur, vindt de Olympische Spelen megalomane geldverspilling, die het hart uit Oost-Londen slaat. Is het een wonder dat in zo’n klimaat rellen ontstaan?

Iain Sinclair, writer, photographed on south side of the river Thames with St. Paul's cathedral and City of London in the background. London, Britain. Foto Alex MacNaughton

De rellen hebben elke andere Londenaar verrast, maar Iain Sinclair, de chroniqueur van de stad die wel is vergeleken met de grote zeventiende-eeuwse dagboekschrijver Samuel Pepys, heeft de ellende aan zien komen.

Sinclair schreef onder meer London Orbital, een portret van de rondweg M25, en talloze boeken over het East End, zoals Hackney, That Rose-Red Empire. Zijn romans staan in een oudere Britse traditie, die van de psychogeografie: een soort ‘associatief wandelen’ door het stadslandschap met alle zintuigen op scherp, waarbij Sinclair een voorliefde heeft voor oude volkswijken, waterlopen en vervallen industrieterreinen.

Maar ditmaal lijkt zijn vooruitziende blik eerder te passen in de psychohistorie – de wetenschap van de toekomstvoorspelling uit de sciencefictionromans van Isaac Asimov. Alleen de methode verschilt. Asimovs zieners bedienden zich van galactische databanken om gebeurtenissen te voorspellen. Sinclair gebruikt de eenvoudiger techniek om met zijn buurman in Oost-Londen te praten.

In zijn nieuwe boek Ghost Milk: Calling Time on the Grand Project, een provocerende (en als altijd breedsprakige) aanval op de Olympische Spelen van volgend jaar in Londen beschrijft Sinclair een griezelig vooruitziend gesprek dat hij een vol jaar voor de plunderingen en chaos voerde.

„Er is een ambulance met stenen bekogeld in Mare Street [de hoofdstraat van de wijk Hackney]”, zegt de buurman. „Waarom?”, vraagt Sinclair. „Waarom niet?”, luidt het angstaanjagende antwoord.

De buurman is bezorgd over politierazzia’s en losgeslagen jongeren en waarschuwt dan: „Het gaat heel snel gebeuren, let op mijn woorden, net als in de jaren tachtig.”

En zo is het dus gegaan.

Ik kom in Hackney bij Sinclair thuis aan op de dag na een van de meest traumatische nachten van geweld die Londen sinds de Blitz aan het begin van de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt.

Ik nader via de wijk Dalston, nu rustig en zonnig, maar een avond eerder het toneel van veldslagen tussen Turkse winkeliers en bendes plunderende tieners. Hackney was het epicentrum van bloedvergieten. Er woedden veldslagen in Mare Street en op Clarence Road. Het naburige Olympisch Park in Stratford werd beschermd door bewakers, maar de brandstichtingen en diefstallen breidden zich helemaal uit tot het zuidwesten van de stad – Ealing, Clapham, Croydon.

„Ik heb hier vandaag Russische, Italiaanse en Franse journalisten over de vloer gehad”, zegt Sinclair opgewekt. „Ze leggen allemaal het verband en zeggen: ‘De stad van de Olympische Spelen gaat in vlammen op’, maar Engelse journalisten zijn hier niet geweest. De Engelsen willen zulke dingen perse bekijken in traditionele categorieën die niet echt meer werken. Behandelen we die mensen wel goed? Hoe staat het met de politietactiek? Niemand kijkt naar het bredere, diepere beeld.”

Het bredere beeld, oppert hij als hij een kop thee is gaan zetten, behelst een verband tussen de ‘culturele leegheid’ van de relschoppers en die van het ‘vreugdeloze’, helgekleurde, ‘multinational’ Olympisch Park.

„In de bredere cultuur bestaat er nu al lange tijd een soort leegheid en een consumentistische fixatie”, zegt hij. Jongeren uit de onderklasse hebben „de pseudo-prikkel van de elektronische media”. In plaats van dat gemeenschapsgeld wordt geïnvesteerd in scholen en buurten, wordt het verspild aan „reusachtige, epische pronkprojecten”, waarvan de Olympische Spelen volgens hem alleen maar het meest opzichtig zijn.

„Er is zo een generatie geschapen van volstrekte leegheid en emotionele vrijblijvendheid, in combinatie met een koopwoede en een honger naar spullen.”

De relschoppers vielen geen politieke doelen aan. Integendeel, ze hadden het gemunt op elektronica- en sportwinkels. „Het is geen klassestrijd. Het is een consumentistische oorlog: ‘Wij willen meer telefoons!’

„Ook is er die grief dat ze niet worden gerespecteerd door de ‘The Feds’, zoals ze de politie noemen. Dat is een heel boeiende term, regelrecht van de Amerikaanse tv. Ze zien zichzelf als straatstrijders. Het opblazen van een echt gebouw of huis is precies hetzelfde als het in een computerspel zou zijn.”

De Olympische Spelen van 2012 ziet hij intussen als de vrucht van een kwaadaardig verbond tussen overheid en projectontwikkelaars, die hebben besloten „het hart van Londen tot wederzijds voordeel te verbouwen”. Het was, zegt hij, „Dr. Frankenstein met een Google Earth-programma en een laserscalpel”.

Sinclair hield van het gesloopte oude Stratford waar zich nu het Olympisch Park bevindt, een „themapark zonder thema” met een reusachtig winkelcentrum dat vermoedelijk de enige blijvende erfenis zal zijn. Het Olympisch Stadion, zo ontworpen dat het dak en de 60.000 zitplaatsen weer gemakkelijk kunnen worden weggehaald, is „een IKEA-bouwpakket”.

Ook van het bouwproces is Sinclair niet bepaald een liefhebber. „Het stedelijk landschap van elke wijk binnen de zone van het Olympisch Park is verwoest met een jachtig ongeduld dat in Londen sinds het begin van het spoorwegtijdperk in de negentiende eeuw ongeëvenaard is. Elk burgerfatsoen, elke emotionele gehechtheid, wordt terzijde geschoven.”

Niet iedereen is het met hem eens. De columnist David Aaronovitch noemde hem in The Times een ‘raspessimist’ en bestempelde zijn liefde voor het verdwenen Stratford als ‘krottenheimwee’.

Sinclair wijst dit van de hand en beklemtoont dat het Londense Olympische project op leugens berust. „Ze zeggen dat het een totale woestenij was die ze ‘weer tot leven hebben gewekt’. Maar het was geen woestenij. Er waren allerlei bloeiende bedrijfjes en veelsoortige gemeenschappen, waaronder een soort ruwe landelijke, industriële schimmen en nog zo van alles. Het had een heel interessante, complexe geschiedenis.”

Sinclair houdt wel degelijk van sport, zegt hij, alleen liever op een kleinere schaal. Als de Olympische Spelen bijvoorbeeld georganiseerd hadden kunnen worden in de geest van de ‘sobere spelen’ die Londen na de Tweede Wereldoorlog in 1948 hield, zou hij dat geweldig hebben gevonden. Maar zulke Olympische Spelen zijn niet meer mogelijk. De Spelen van nu zijn volgens hem „orgiën van larmoyant nationalisme; oorlog met andere middelen; atleten als strijders die door mannen in pakken en uniformen vanachter een donkere bril worden bekeken; de farmaceutische frontlinie.”

Om plaats te maken voor wat genoemd wordt de ‘Groene Olympiade’ van 2012 zijn „waterwegen met beton bedekt, zeldzame en fraaie volkstuintjes platgewalst, en is radioactief thorium dat in de jaren vijftig illegaal was gestort, per ongeluk opgegraven en in het grondwater beland”.

Bovendien is ook een rijke plaatselijke sport-erfenis vernietigd die teruggaat tot de negentiende eeuw. „Ze zeiden: ‘Jullie krijgen al dit nieuws van ons.’ Maar dat wás er allemaal al. Nu zijn er voetbalvelden weg, het wielerstadion is weg. Het komt misschien wel weer terug, maar dan in een elitaire vorm waarvan we geen gebruik kunnen maken. Het is het omgekeerde van dat wat het beweert te zijn!

„Londenaren en toeristen hebben een bezoek gebracht aan de ‘View Tube’, een gifgroen buurtcentrum van oude containers bij Pudding Mill Lane, met uitzicht op de verrijzende Olympische wijk. En veel bezoekers zijn nieuwsgierig geworden of in vervoering geraakt bij bouwwerken als het Aquatics Centre met zijn flapperdak van Zaha Hadid en de rode staalkluwen van het ArcelorMittal Orbit-monument van Anish Kapoor. Toen ik dat alles voor het eerst zag, was mijn eerste gedachte dat nu toch echt de marsbewoners van H.G. Wells waren geland.”

Populair zijn de Olympische Spelen intussen wel degelijk. Bijna twee miljoen mensen hebben kaartjes proberen te kopen en de grootste grief van veel bewoners is dat ze die niet hebben kunnen krijgen. Maar Sinclair is niet onder de indruk. De vraag naar kaartjes komt voort uit de onafgebroken hype en promotie, zegt hij. „Populair? Dat waren openbare ophangingen en dierenkwellingen ook. Dat zegt niks.”

Hij geeft toe dat zijn analyse op een dag misschien onjuist zal blijken. Maar beklemtoont dat vraagtekens zetten en ‘getuigen’ een morele plicht is.

„Ik ben niet verplicht om altijd helemaal gelijk te hebben, maar de politici en promotors wel, want voor hen staat er heel veel op het spel. Wie weet groeien de Olympische Spelen tot iets prachtigs uit. Nou en? Dan krijg ik de wind van voren. Maar als dit soort dingen niet wordt betwist en besproken, wat voor maatschappij hebben we dan? Als alles zomaar doorgedrukt kan worden, dan heeft de stad geen waardigheid meer.”

Voor Sinclair is het verleden van Londen altijd aanwezig en wordt het vaak onbewust weer nagebootst. Opgetogen laat hij me een ‘Hackney-roman’ uit 1951 zien van Roland Camberton, een schrijver van wie hij bezeten is – met een omslagillustratie die griezelig veel weg heeft van de tv-beelden die de avond ervoor uit helikopters boven Mare Street werden gefilmd.

In zijn eigen boek rollen de culturele toespelingen over elkaar heen. We stuiten op Dante, Defoe, Iris Murdoch, Gissing, Tarkovski, Kinski en Herzog, Borges, Céline, Coppola, NASA, De Quincey, Knut Hamsun, Hitchcock en Kubrick. Maar de naam die er bovenuit torent is die van Sinclairs vriend de schrijver J.G. Ballard, profeet van de vervreemdende chaos, die twee jaar geleden overleed.

Op een bepaald moment loopt Sinclair langs de Theems naar het huis van de schrijver, een van de tochten door mislukte ‘wederopbouw’-projecten als Manchester en de M62-route naar Hull. Hij bezoekt ook de Olympische steden Berlijn, Peking en Athene, waar het Olympisch Park door hordes wilde honden is overgenomen.

Wat zou Ballard van de rellen hebben gevonden? „Nou, ik denk dat hij genoten zou hebben van alles wat hier gebeurde. Het lijkt sterk op zijn laatste boek Kingdom Come, waarin een rel in een winkelcentrum uitbreekt.” Al zijn natuurlijk in de boeken van Ballard de mensen die amok maken meestal wel de dodelijk verveelde rijken. „Volgens mij is het zo’n beetje het tegenovergestelde daarvan. Het ontstaat op heel andere plaatsen en de middenklasse houdt zich min of meer afzijdig. Dit gaat tussen de staat en de onderklasse.”

Zojuist is bekend geworden dat de voetbalinterland van de dag erna tussen Engeland en Nederland is afgelast – een ernstige vergissing, vindt hij.

„Ook dat is een paradepaardje – een groot sportevenement tegen een land met een voetbalcultuur die we bewonderen, en dat moet dan worden afgelast omdat er op straat rellen zijn? Geldt dat ook voor de Olympische Spelen? Gaan we die ook afgelasten als er wat gebeurt in Tottenham?”

Wat zullen de Nederlanders van dit alles vinden? „Ik kan me niet voorstellen dat Nederland zich ooit aan iets ter grootte van de Olympische Spelen zou wagen”, zegt hij. „Hun idee is om geld in de buurt, de gemeenschap te blijven steken. Moet je toch kijken. Het is nu al een ramp. Dit is de reclame! De Nederlanders mogen verheugd vaststellen dat dit een volstrekt apocalyptische ramp is en denken: ‘Nou, maar goed dat we dit allemaal hebben voorkomen!’

Vertaling: Rien Verhoef

Morgen: Londens grootste uitdaging