Wilders een fascist noemen is populistisch

De waanideeën van PVV-leider Geert Wilders moeten zeker bestreden worden. Maar niet met onzin.

Wie Wilders ‘fascist’ noemt, kent de geschiedenis niet.

Op Lowlands oogstte de directeur van het Nexus Instituut Rob Riemen vorig weekend luide bijval toen hij tijdens zijn lezing PVV-leider Geert Wilders opnieuw een fascist noemde. In zijn essay De eeuwige terugkeer van het fascisme (2010) strooide Riemen kwistig met citaten van grote literatoren en filosofen om zijn rammelende aanklacht tegen Wilders te onderbouwen. In zijn lezing noemde hij Wilders „het prototype van hedendaags fascisme”.

In een interview met NRC Handelsblad verklaarde hij destijds dat het aanduiden van Wilders als fascist tot beter begrip en bestrijding van het fenomeen PVV leidt. Zelf leverde Riemen een bijdrage aan deze strijd door alle leden van de Tweede Kamer en het kabinet een exemplaar van zijn pamflet te sturen. De PVV eist nu stopzetting van de subsidie aan Riemens Nexus Instituut, dat conferenties en evenementen met internationaal bekende denkers en kunstenaars organiseert.

Naar aanleiding van alle kritiek op Riemens schotschrift verklaarde oud-premier Ruud Lubbers, lid van de Raad van Advies van Nexus, dat de vergelijking tussen de PVV en het fascisme moest kunnen. Lubbers meende dat in een tijd van rechts beleid en boude uitspraken er van linkerzijde best tegengas mag worden gegeven.

Nu is dat laatste volkomen juist. Democratie gedijt immers bij debat. Maar het theoretische fundament van Riemens beschuldiging bestaat uit drijfzand.

In zijn anti-PVV-pamflet hekelt de cultuurfilosoof uitvoerig de moderne massamaatschappij en geestelijk lege massamens die niet belast wil worden met geestelijke waarden. Er is geen maat, waarde of waarheid die boven hem gesteld kan worden en die hem beperkingen zou kunnen opleggen. „Voor de massamens dient het leven altijd gemakkelijk en overvloedig te zijn.”

Deze hedonistische massamens is volgens Riemen ontvankelijk voor het fascisme. Hij definieert fascisme als „de politisering van de geestesgesteldheid van de rancuneuze massamens”.

Maar de centrale waarden van het fascisme waren niet hedonisme en een naar egoïsme doorgeschoten individualisme. Het waren onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en volkomen ondergeschiktheid van het individu aan de gemeenschap (‘Du bist nichts, dein Volk ist alles’).

Openlijk prees de Italiaanse fascistenleider Mussolini: „Het leven van de plicht, verheven boven tijd en ruimte: een leven waarin de individuele persoon door zelfverloochening, door opoffering van zijn eigen belangen, desnoods door de dood, geraakt tot dat waarlijk geestelijk bestaan waarin zijn waarde als mens gelegen is.”

Wat de precieze link is tussen de moderne, hedonistische massamens en de opkomst van het fascisme, blijft bij Riemen dan ook volkomen duister.

Tussen het hedendaagse populisme van Wilders en het historische fascisme, zoals zich dat manifesteerde in de eerste helft van de vorige eeuw, bestaan bovendien fundamentele verschillen. De bewering van Riemen dat er geen idee achter het fascisme zat, bewijst slechts dat bij hem de elementaire kennis over de ideologische grondslagen van het fascisme ontbreekt.

Kenmerkend voor de fascistische ideologie waren het leidersbeginsel (‘Führer-prinzip’), het biologisch ‘gefundeerde’ racisme, de sociaal-darwinistische wereldbeschouwing waarbij de geschiedenis en het bestaan als een voortdurende strijd tussen staten, volken en rassen wordt beschouwd en het streven naar een nationale wedergeboorte via een ‘transcendente’, klassen-overstijgende synthese van alle bevolkingsgroepen (uiteraard alleen voor zover behorende tot het eigen volk of ras) in een nieuwe totalitaire maatschappij.

In de voornaamste publicaties die de laatste dertig jaar zijn verschenen op het gebied van het internationale fascisme-onderzoek (A. James Gregor, R. Griffin, G.L. Mosse, Stanley G. Payne, M. Mann, etc.) is op overtuigende wijze aangetoond dat fascisten streefden naar een ‘Derde Weg’, naast het liberale kapitalisme en het marxistische communisme.

Ofschoon Wilders’ abjecte moslimfobie en bekrompen cultuurfundamentalisme beslist dienen te worden bestreden, moet daarnaast geconstateerd worden dat alle bovengenoemde ideologische kenmerken en utopische visioenen van het fascisme bij hem ontbreken.

Het is de vraag of dit Riemen werkelijk interesseert. In een interview stelde hij onomwonden: „Wat Wilders zegt, is irrelevant. Zijn programma staat vol leugens.” Hiermee lijkt deze geëngageerde intellectueel helaas dezelfde tactiek van demoniserende generalisaties toe te passen als de populistische politicus die hij zo fel bestrijdt.

Robin te Slaa is historicus en mede-auteur van ‘De NSB. Ontstaan en opkomst van de Nationaal-Socialistische Beweging, 1931-1935.’