Tripoli ligt nu wakker van rebelse vreugdeschoten

Nu ze heer en meester zijn in Tripoli, moeten de rebellen bewijzen dat ze de stad ook kunnen besturen.

„We zijn ermee bezig.”

De schoonmakers van het Abu Slim-ziekenhuis zijn niet te benijden. Zij dweilen het bloed op van de tientallen lijken die hier na de val van Tripoli zijn aangetroffen. „Toen de koelcel vol zat, hebben we de lijken in een kamer met airconditioning gelegd. Toen daar ook geen plaats meer was, buiten op het gazon”, zegt Naima Al Maghribi door haar mondmasker, terwijl ze op een dweil leunt.

Het zal nog een tijdje duren voordat vaststaat wat hier is gebeurd. Volgens Al Maghribi zijn sommigen levend binnengebracht en waren anderen al dood. Sommigen waren rebellen, anderen waren Gaddafi-soldaten. Zeker twee Gaddafi-soldaten werden in hun bed doodgeschoten; een kogel in de muur getuigt hiervan.

In Tripoli zijn in de afgelopen dagen gruwelijke taferelen aangetroffen. Een dertigtal lijken van vaak zwarte Gaddafi-soldaten op de rotonde nabij het hoofdkwartier van Gaddafi. Sommigen met de handen achter de rug gebonden; tenminste één man aan een infuus. Elders, in de buurt Sallaheddin: meer dan vijftig verkoolde lijken in een hangar nabij een kazerne van de Khamis-brigade, genoemd naar een van de zoons van Gaddafi. Volgens buurtbewoners mensen die lukraak zijn opgepakt en afgemaakt door terugtrekkende Gaddafi-soldaten.

Hoe gruwelijk ook, de beelden van rottende en verbrande lijken geven niet het volledige beeld van Tripoli. In grote delen van de stad is het veilig. Vrouwen en kinderen komen voor het eerst sinds een week naar buiten. Winkels gaan open. De voornaamste zorg is de weggevallen watervoorziening in grote delen van de stad. Er is geen waterfles meer te koop.

Over het afsluiten van het water doen veel tegenstrijdige verhalen de ronde. Volgens Faraj Sayeh Eltayef, minister in de interim-regering, wilden de rebellen het water afsluiten nabij Tripoli na een gerucht over vergiftiging. Maar toen stelden ze vast dat het water al was afgesloten, 500 kilometer ten zuiden van Tripoli. Dat zou dan de ultieme wraak van Gaddafi zijn.

Niets van waar, zegt Informatieminister Mohammed Shammam: het gaat om een puur technisch probleem. Shamman en de andere verantwoordelijken die gisteren een persconferentie gaven in een hotel in Tripoli hadden verder weinig te melden. Op elke vraag kwam hetzelfde antwoord: „We zijn ermee bezig.”

Dat vatte de toestand goed samen. De voormalige rebellen moeten nu bewijzen dat ze het land ook kunnen besturen. Dat gaat nog moeizaam. Het straatbeeld wordt gedomineerd door stoere rebellen die maar niet genoeg krijgen van het in de lucht schieten. Vreugdeschoten uit een kalasjnikov – dat is één ding; vreugdeschoten uit luchtafweergeschut – dat is heel wat anders. Voor de mensen in Tripoli is dat wennen: behalve de NAVO-bombardementen was hier de voorbije zeven maanden betrekkelijk weinig te merken van de oorlog.

Mohammed Omeish is de coördinator van de ‘Coalitie van 17 Februari’, de koepelorganisatie van het verzet in Tripoli. Omeish geeft toe dat de strijders maar moeilijk onder controle te krijgen zijn. „Wie een wapen heeft, moet dat inleveren wanneer zijn dienst erop zit”, zegt Omeish. „Met de rebellen uit Misrata en de Westelijke Bergen ligt dat moeilijk. Die doen eigenlijk gewoon waar ze zin in hebben.” Tripoli is ook vergeven van de wapens. In de laatste maanden deelde Gaddafi wapens uit aan iedereen die er een wilde. Ironisch genoeg was dat ook de voornaamste bron van bewapening voor het verzet in Tripoli. „Mensen tekenden voor de milities van Gaddafi en verkochten dan hun wapens aan ons om aan eten te komen”, zegt Omeish.

Op politiek vlak dienen de eerste problemen zich reeds aan. Normaliter is het de interim-regering in Benghazi die nu op de voorgrond moet treden. Maar de voornaamste leiders daarvan waren vrijdag in Istanbul, zondag in Qatar en gaan deze week naar Parijs. Ongetwijfeld belangrijk voor de toekomst van Libië, maar in Tripoli maakt het geen goede indruk. Omeish. „Wie een rol wil spelen in het nieuwe Libië moet nu in Tripoli zijn.”