Toen was geluk nog heel betaalbaar

Een rondvraag over de euro levert vooral klachten op.

De munt is ‘handig’, maar alles is duurder geworden, zeggen mensen. Klopt dat?

Weet je het nog? De eerste keer dat er geen geeltjes, meiers of, voor de rijken onder ons, ruggen uit de pinautomaat kwamen? Daarvoor in de plaats kwamen euro’s. Dat was 2002. De biljetten werden kleiner en fletser. Maar je kon er wel mee betalen in twaalf Europese landen. Nu zijn dat er al zeventien.

Voor een hele generatie politici en centrale bankiers was de euro het slotstuk van een unieke fase van het Europese project. Voormalig president van De Nederlandsche Bank Nout Wellink noemde de invoering van de euro „het hoogtepunt” van zijn carrière.

Er zijn meer muntunies. Centraal en West-Afrikaanse landen voeren dezelfde munt. Acht Caraïbische eilandstaatjes doen dat ook. Maar de euro is uniek, omdat machtige landen die elkaar zo vaak economisch, politiek en militair hadden bestreden hun eigen munt ervoor opgaven.

Die eurozone beleeft nu de diepste crisis in haar 12,5-jarig bestaan (al in 1999 werden de munten formeel gekoppeld). Gezaghebbende economen noemen de muntunie een mislukking en denken dat de euro gedoemd is. En de steekproef van deze krant laat weer eens zien dat ook veel Nederlanders geen liefdesverdriet zullen hebben mocht de euro vallen. Uit opiniepeilingen blijkt zelfs dat bijna de helft van de ondervraagden wel van de euro af zou willen.

De relatie is op zijn best zakelijk. De euro kan „handig” zijn, maar is niet geliefd. Dat er na een decennium nog geen koosnaampjes zijn, is in ieder geval veelzeggend.

De meest positieve opmerking is nog wel dat de euro goed van pas komt op vakantie. Geen gedoe meer met het omrekenen, geen potjes met verzameld muntgeld meer.

Maar wat voor vakantiegangers een kleine bijkomstigheid is, is voor bedrijven een groot voordeel. Handelen in andere valuta’s levert risico’s op, want koersen kunnen schommelen. Grotere bedrijven dekken dit risico bij banken af, maar dat kost ook weer geld. Als je een Nederlandse meubelmaker bent en je haalt je leer voor je banken uit Italië, je hout voor je stoelen uit België en je graniet voor die exclusieve tuintafel uit Spanje dan lopen de risico’s op. Een forse en ongunstige koersbeweging en je winst verdampt.

Met het koppelen van de wisselkoersen en de werkelijke invoering van de euro verdween dat valutarisico in Europa. Hoeveel dat per saldo oplevert is moeilijk uit te rekenen. Er zijn zo veel invloeden op handelsstromen dat het lastig is het valuta-effect te isoleren.

De Duitse Bundesbank deed, om het tienjarig bestaan van de euro te vieren, toch een poging. De economen van de Duitse centrale bank concludeerden dat het wegvallen van nationale munten 3 tot 5 procent extra handel opleverde. Andere onderzoeken komen tot grotere voordelen, zeggen ze erbij.

Toch blijven de meeste gebruikers sceptisch: laten we de munt maar houden, want er is toch geen alternatief. Ultiem pragmatisme. Eén geïnterviewde hierboven wijst naar Zwitserland: dat land is ook welvarend en heeft toch de eigen munt behouden?

Dat klopt, maar Zwitserse politici en bankiers worden wel gek van de eurocrisis. Beleggers zijn namelijk in de Zwitserse frank gevlucht. Daardoor is de munt zo hard gestegen dat de concurrentiepositie van het land onder grote druk staat. Sommige Zwitserse bedrijven willen dat hun werknemers meer uren gaan werken voor hetzelfde geld. Zoiets zou ook met de gulden gebeuren, als we die nog hadden. En dat zou zeer slecht voor de Nederlandse export zijn.

Mark Cliffe, de Britse hoofdeconoom van de ING bank, liet zijn fantasie onlangs nog de vrije loop: wat zou er gebeuren als de eurozone uit elkaar zou vallen? Cliffe voorziet een diepe financiële crisis en een recessie. Grensoverschrijdend betalingsverkeer zou stokken, banken zouden transacties niet kunnen uitvoeren en bedrijven zouden geen opdrachten meer buiten de landsgrenzen durven gunnen. De koers van de euro zou instorten, vermogen verdampen. Huizen, aandelen en spaargeld zouden rap minder waard worden, banken zouden wankelen. De economieën van noordelijke eurolanden zouden met 10 procent krimpen, die van zuidelijke landen zelfs met 15 procent.

Veruit de vaakst gehoord kritiek op de euro is dat alles, van brood tot joints, er veel duurder door is geworden. En dat klopt. Vergeleken met 2001 zijn prijzen gestegen. Dat is normaal en heet inflatie. Maar de prijzen zijn wel stabieler dan vóór de invoering van de gezamenlijke munt.

De Duitse Bundesbank analyseerde prijsstijgingen in de eurozone in 2004, twee jaar na de invoering. Net als in Nederland klaagden Duitsers kort na de invoering dat het leven duurder was geworden. Dat klopte, concludeerden ook de Duitse inflatiehaviken, maar dat had vooral te maken met hogere energieprijzen. En het gedrag van winkeliers. Er werd opeens veel geadverteerd in een nieuwe munteenheid, die werd aangegrepen om achtergebleven prijswijzigingen door te voeren. Prijzen in restaurants en cafés stegen kort na de invoering heel snel, maar stagneerden daarna, waardoor het effect heftig leek dan ze op langere termijn bleek te zijn. De economen vonden één uitzondering: bioscopen werden blijvend een stuk duurder.

Het klopt echter niet dat de euro alles duurder maakt. Nederland profiteert ook van de huidige malaise. Handelaren zoeken toevlucht in veilige investeringen, zoals Nederlandse staatsobligaties. Doordat de vraag toeneemt, daalt de rente die Nederland betaalt op staatsleningen. Het financieren van de staatsschuld is zelden zo goedkoop geweest. Dat levert ons allemaal indirect voordeel op.

Het probleem is echter dat de euro een economisch project met politieke motieven was. Als uitsluitend de economische theorie over monetaire unies van de gezaghebbende Canadese hoogleraar Robert Mundell was gevolgd, hadden Italië en Griekenland nooit de eurozone gehaald. Mundell pleit er namelijk voor dat deelnemende landen gelijksoortige economieën moeten zijn, anders kan één centrale bank nooit een effectief rentebeleid voeren. Maar (bijna) héél Europa moest één worden. Politieke motieven wonnen het van economische ratio. Eén munt voor één Europa.

Maar één munt betekent nog geen gelijkheid. Een Nederlander verdient niet evenveel als een Griek. En een Fin werkt niet even lang voor zijn geld als een Portugees. Gelijkheid is de kern van een optimale muntunie. En zie: ongelijkheid is nu ook precies de kern van de crisis.

Lees ook ‘Hiervoor gaven we de gulden niet op’ van André Szász, voormalig directielid van de Nederlandsche Bank.Opinie pagina 18 en 19

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

Bij de interviews bij het stuk De euro, munt zonder koosnaampjes (maandag 29 augustus, pagina 4 en 5) is de naam van de auteur weggevallen: Lineke Nieber.