Te (veel) neerslag

Jaren geleden sprak ik in huiselijke kring het vermoeden uit dat het in Amsterdam vaker regende dan elders in Nederland. Hoon was mijn deel. Hoe kwam ik daar nou weer bij? Omdat ik bijna elke keer dat ik naar buiten ga op zeker moment een bui op mijn kop krijg, zei ik. Dat was ik niet gewend op de andere Nederlandse plekken waar ik tot dan toe gewoond had.

Onzin! Columnistenpraat!

Ik nam een steviger paraplu en deed er maar het zwijgen toe.

Wie (mijn huisgenoten niet) schetste mijn vreugde toen ik las dat de nieuwe Bosatlas van het klimaat vaststelt, dat er in Amsterdam tegenwoordig honderd millimeter meer neerslag valt dan dertig jaar geleden.

Daarmee hoort Amsterdam in de late zomer en de herfst tot de regenrijkste regio’s van Nederland. Amsterdam-Noord, waar ik dichtbij woon, heeft zelfs samen met de Veluwe het grootste aantal dagen met plensbuien: 28. De oorzaak is in Amsterdam de opwarming van de Noordzee, die samen met toenemende westenwinden meer vochtige lucht het land in blaast.

Eindelijk erkenning, het doet een mens goed. Ik oogst nu bewonderende blikken als ik iets over het weer zeg. Ik bekijk aandachtig de bezwangerde luchten en stel zonder aarzeling vast: „Regen voor de hele dag.” Daar kan geen buienradar tegenop.

Eentonig is het wel, dit weer. De achtergrondmuziek van het Amsterdamse leven bevatte de afgelopen zomermaanden maar één deuntje: het geruis van de regen. Ook de Uitmarkt werd er gedeeltelijk door verpest. De organisatie laat weten dat er toch nog 450.000 mensen kwamen, evenveel als vorige jaren, maar toen ik gisteren halverwege de middag op het Museumplein verscheen, bleken 448.000 van die 450.000 op geheimzinnige wijze verdwenen. Ze waren kennelijk ergens in mij onbekende ondergrondse ruimtes aan het schuilen.

Bij het Grolsch Podium stonden amper honderd mensen te luisteren naar Arthur Adam, volgens het programmaboekje „de meest veelzijdige singer-songwriter van Nederland”. Hij maakte met zijn bandje inderdaad goede muziek, soms melancholiek, soms lekker fel. Aan de overkant, op een groter podium, trok Fernando Lameirinhas niet veel meer publiek met zijn ietwat weke Portugese muziek.

Zelfs bij een repetitie voor de musical Sing-a-long – ’s avonds rechtstreeks op de tv – viel de belangstelling niet mee. Toen de presentatrice samen met Frits Sissing een jodellied uit The Sound of Music aanhief besloot ik op zoek te gaan naar de schuilkelders waar die 448.000 mensen zich hadden teruggetrokken.

Ik vond ze niet en moest genoegen nemen met mijn eigen schuilkeldertje. Daar stond de televisie aan, CNN met het laatste nieuws over Irene. Wij hadden de berichtgeving op de voet gevolgd. Ik voelde me de kijker naar zo’n rampenfilm uit Hollywood, waar kosten noch moeite voor zijn gespaard. Het was allemaal afschuwelijk wat in New York ging gebeuren, maar ik wilde het toch wel graag vanuit mijn leunstoel bekijken, terwijl ik mijn gemoed alvast liet volstromen met compassie en verdriet.

Ook de jongens en meisjes van CNN hadden er zin in. Bijna juichend lieten ze zien hoe hoog het water van de East River nu weer was gestegen. Maar geleidelijk merkte je dat er geen schot meer in zat. Irene had zichzelf murw gebeukt. Toen een verslaggever één keer met tegenzin iets mompelde over ‘receding water’, wist ik genoeg. „Het waait over”, voorspelde ik.

Er gaat niets boven gelijk krijgen.

    • Frits Abrahams