Journalist kan in Brussel heel goed een spion zijn

Als zetel van Europese Unie en NAVO is Brussel gewild werkterrein voor spionnen. Ze willen hetzelfde als journalisten en een perskaart geeft overal toegang, dus de dekmantel ligt voor de hand.

Brussel is een stad vol met diplomaten en journalisten. En spionnen die doen alsof ze diplomaat of journalist zijn. Dat is al zo sinds de jaren zeventig, zegt de Vlaamse journalist Kristof Clerix van het maandblad MO*. Hij deed onderzoek naar geheime diensten in de Koude Oorlog. En bij de Belgische staatsveiligheidsdienst zeggen ze dat het sinds die tijd niet minder is geworden. Clerix: „Er zitten er tientallen tot honderden. Elk machtig land heeft een mannetje in Brussel.”

Journalisten en spionnen lopen rond in de Brusselse wandelgangen met hetzelfde doel: horen wat er wordt bedacht, overwogen en beslist bij de Europese Unie en de NAVO. „Het is ontstellend hoeveel Chinese en Russische journalisten er in Brussel zijn van wie men zich terecht kan afvragen of ze ooit een opleiding tot journalist hebben genoten”, zei de baas van de Belgische Staatsveiligheid, Alain Winants, in 2009 in de krant De Morgen. Volgens hem waren er „ettelijke tientallen nepjournalisten” – spionnen.

Een jaar later kwam er een nieuwe wet in België, de ‘wet op de bijzondere inlichtingenmethoden’, waardoor de geheime diensten telefoons kunnen afluisteren, e-mails kunnen meelezen en afluisterapparatuur kunnen plaatsen. Journalisten waren een logische doelgroep, maar ze werden in de wet beschermd: als ze een Belgische perskaart hebben, mogen ze alleen worden afgeluisterd als er ernstige aanwijzingen zijn dat ze ‘meewerken aan het ontstaan van een potentiële bedreiging’.

Kristof Clerix ontdekte dat er in de eerste helft van 2011 al zeven journalisten op die manier zijn onderzocht, waarschijnlijk allemaal buitenlandse journalisten. Hij zal niet zeggen of dat terecht was. Er is een commissie van drie onafhankelijke rechters die oplet. Clerix vindt wel dat de wetgever onduidelijk is: er is óók een wet die zegt dat journalisten alleen kunnen worden gedwongen om hun bronnen prijs te geven als daarmee kan worden voorkomen dat mensen fysiek gevaar lopen. In de wet over bijzondere inlichtingenmethoden is een ‘mogelijke bedreiging’ genoeg.

Die wet zegt ook veel strikter wie erkend beroepsjournalist is en wie niet. Dat ben je in België als je een Belgische perskaart hebt – en dan word je beter beschermd tegen inkijkjes van de geheime dienst. Maar zo’n perskaart krijg je niet zomaar. De behandeling van een aanvraag duurt maanden, soms meer dan een half jaar. Je moet ervoor langs bij het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Lang niet elke buitenlandse journalist heeft zin in die procedure, veel journalisten denken ook dat ze die kaart alleen nodig hebben als ze verslag willen doen van nieuws in België. Er zijn niet zo veel Chinezen en Russen die precies willen volgen hoe Vlamingen en Franstaligen steeds verder van elkaar verwijderd raken.

Maar als ze een permanente accreditatie aanvragen bij de NAVO – en welke spion wil dat niet? – komen ze er opeens achter dat ze dan eerst een Belgische perskaart moeten hebben.

De NAVO heeft een groot vertrouwen in de Belgische screening. Als je eenmaal een NAVO-accreditatie hebt, ben je definitief géén spion of terrorist, zo lijkt het. Want meestal hoef je dan niet meer je tas open te doen als je het hoofdkwartier in Brussel binnenkomt. Je zwaait met je accreditatie naar de portier en die zwaait vrolijk terug: bonne journée. Alleen als er ministers komen vergaderen of als er extra dreiging is, moet je door de hoofdingang met het detectiepoortje.

In december 2009 reden activisten van Greenpeace tot bij de VIP-ingang van het gebouw van de Europese Raad in Brussel, waar Europese regeringsleiders binnenkwamen voor een topbijeenkomst. Ze hadden nagemaakte journalistenaccreditaties.

Voor een Europese top krijg je zo’n accreditatie niet zomaar. Ook als Brusselse journalist moet je die speciaal aanvragen. Als je in België woont, moet je via internet dan ook nog een document downloaden en ondertekenen waarin je toestemming geeft voor een ‘veiligheidsonderzoek’. Maar als je er nog maar net woont en nog geen Belgisch rijksregistratienummer hebt, kun je het niet invullen. Als je erover belt, hoor je: „Vul maar een adres in Nederland in.” Die hele ‘veiligheidsverificatie’ hoeft dan niet meer. Eerlijk is dat niet. Spionnen van buiten België hebben het makkelijker.