Hiervoor gaven we de gulden niet op

De euro was het kind van ouders die het oneens waren over de opvoeding.

Nu verder hobbelen zonder duidelijke politieke visie is een recept voor rampspoed.

Illustratie Merlijn Draisma

Het uur van de waarheid nadert. Niet het einde van de euro, zolang geen lidstaat daar belang bij heeft, maar van de illusie dat de euro bindmiddel zou worden en geen splijtzwam. Zoals vaker bij de Europese integratie, werd bij het besluit tot invoering van de euro niet geprobeerd het eerst eens te worden over de vragen waarom en waarheen. Dat zou niet gelukt zijn, en de euro zou er niet gekomen zijn. Nu is die er wel, maar de lidstaten stonden twee heel verschillende monetaire unies voor ogen.

Frankrijk, gesteund door een meerderheid van lidstaten, wilde door een gemeenschappelijke munt monetaire medezeggenschap krijgen in plaats van het Duitse beleid te moeten blijven volgen. Als gevolg zou betalingsbalansdiscipline voor de afzonderlijke deelnemende landen verdwijnen. Bij uiteengroeiend financieel en economisch beleid zouden de daardoor ontstane onderlinge on-evenenwichtigheden gezamenlijk worden gefinancierd, dan wel aangepast waarbij de aanpassingslasten ‘symmetrisch’ over landen met tekorten en overschotten werden verdeeld.

Duitsland was ook bereid de Duitse mark op te geven, maar dan voor een heel andere monetaire unie. Voor het Duitse publiek was die alleen aanvaardbaar als de nieuwe gezamenlijke munt in koopkracht even stabiel werd als de D-mark was.

Daarom drong Duitsland aan op een aantal verdragsvoorwaarden. Die kwamen er op neer dat voor de deelnemende landen betalingsbalansdiscipline werd vervangen door begrotingsdiscipline. De kans dat hun economieën uiteen zouden groeien werd zo beperkt. Zouden er toch onevenwichtigheden ontstaan, dan zouden de landen met tekorten zich moeten aanpassen en de lasten daarvan zelf dragen.

Voor Frankrijk was dit in strijd met zijn wensen en zelfs met zijn motieven om een monetaire unie te willen. Maar het was deze monetaire unie of geen monetaire unie. Daarom aanvaardde het de verdragsverplichtingen, maar niet de implicaties. Problemen waren zodoende voorgeprogrammeerd.

Vanaf het begin werd het verdrag niet nageleefd. Italië werd toegelaten hoewel het niet voldeed aan het schuldcriterium. Griekenland werd vervolgens toegelaten omdat men meende het land niet te kunnen weigeren wat Italië ook was toegestaan. De toenmalige Nederlandse minister van Financiën zei dit in de Tweede Kamer met zoveel woorden, toen hij een motie ontraadde om Griekenland niet toe te laten tot de eurozone.

Eenmaal toegelaten konden deze landen jarenlang lenen tegen voor hen ongekend lage rentes. De crediteuren, financiële instellingen in andere eurolanden, wisten dat de Griekse overheidsfinanciën niet in orde waren maar achtten het debiteurenrisico gering omdat zij verwachtten dat in het uiterste geval de autoriteiten in andere eurolanden zouden inspringen. Dat het verdrag dat verbood namen zij niet serieus, nadat was gedemonstreerd hoe licht de landen aan verdragsverplichtingen tilden. Hierin kregen zij gelijk.

Toen in februari 1965 de Tweede Kamer voor het eerst de theoretische mogelijkheid van een Europese monetaire unie besprak, zei minister van financiën Johan Witteveen (VVD) dat de lidstaten elkaar daarin een ‘blanco cheque’ zouden geven. Dat, stelde hij, kon alleen als sluitstuk van een volledige Europese integratie. Als surrogaat daarvoor dienen nu verdrag en stabiliteitspact.

Hoe dat in de praktijk werkt dringt pas een decennium na invoering van de monetaire unie door, nadat de eurolanden tien jaar hebben verspild bij het nakomen van hun verdragsverplichtingen, en de gevolgen daarvan in de nasleep van de mondiale kredietcrisis zichtbaar werden. Herman Van Rompuy sprak in dit verband van financiële interdependentie als ‘de grote ontdekking in het voorjaar van 2010’.

Deze ‘grote ontdekking’ gaat gepaard met een grote desillusie in Duitsland. Alle verdragsbepalingen die het bedong als garantie voor de stabiliteit van de euro en als voorwaarde om de D-mark af te staan, zijn aan het verdampen. Lidstaten die niet aan de eisen voldoen werden toegelaten, ‘buitensporige overheidstekorten’ gedoogd en toenemend indirect monetair gefinancierd, dubieuze vorderingen voor grote bedragen door de ECB geaccumuleerd en het verbod elkaars schulden te garanderen (de no- bailout bepaling) werd genegeerd. Steeds weer zwicht tenslotte de Bondsregering. Telkens verwijt men haar dat zij eerst tegenstribbelt, suggererend dat de problemen kleiner zouden zijn als zij zich maar meteen had neergelegd bij het overtreden van het verdrag.

Wij snellen voort op een hellend vlak naar een model monetaire unie waarvoor Duitsland nooit de D-mark had opgegeven, daar aangeduid als ‘Transferunion’: Witteveens ‘blanco cheque’. Bondskanselier Merkel probeert te sussen: zo’n transferunion wordt het pas als de inkomensoverdrachten automatisch plaats vinden. De pas benoemde Bundesbank-president is opener: de jongste maatregelen vormen ‘een grote stap naar een vergemeenschappelijking van risico’s’; een technische omschrijving van transferunion.

Wij zitten nu bij hulp aan schuldenlanden in een dwangpositie. Maar dat verandert niets aan het feit dat vrijwel iedere nieuwe afgedwongen stap in strijd is met het verdrag waarop de euro is gebaseerd, en dat juist het hellend vlak van verdragsovertredingen ons in deze dwangpositie bracht. Die positie mag hopelijk tijdelijk zijn, de gevolgen der overtredingen blijven.

Gaat dit zo door, dan leidt dit tot karakterverandering van de Europese Centrale Bank en verdere aantasting van de geloofwaardigheid van het verdrag waarop de stabiliteitsoriëntatie van de euro berust. Wij glijden dan af naar een type monetaire unie zonder solide munt die niet was overeengekomen en die op den duur niet zal worden aanvaard. Blijkens opiniepeilingen in elk geval niet in Duitsland, waar men de D-mark toch al met lede ogen zag gaan. En ook niet in Nederland, dat eveneens een stabiele munt opgaf en beseft hoe essentieel het voor een stabiele euro is dat Duitsland er achter staat.

Om onzerzijds afglijden nog te kunnen tegengaan moeten wij eerst weten waarheen wij zelf willen met de Europese integratie, en hoe de euro daarin past. Een debat daarover is nodig om zinvol te kunnen praten over nieuwe procedures en technieken. Hoe nodig die misschien ook zijn, daarmee alleen komt er geen oplossing voor een in wezen politiek probleem.

Dr. André Szász was directielid van de Nederlandsche Bank (1973-1994) en hoogleraar Europese Studies aan de Universiteit van Amsterdam (1990-2000).

    • André Szász