'We hebben al zo veel'

Jan en Monique des Bouvrie laten hun kunstcollectie veilen. Een verzameling met een keurmerk: ‘Want Jan vindt het mooi. En Jan heeft smaak.’

Monique en Jan des Bouvrie. Rechts een van de 212 kunstwerken die ze laten veilen, een foto van Ruud Baan. Bob van der Vlist, NRC handelsblad, Lux, Lunchen met, Jan & Monique des Bouvrie, Cristie's, Amsterdam, 24/08/2011

Laat hij het maar gewoon eerlijk zeggen zoals het is. Het is namelijk heel simpel. Jan des Bouvrie laat een deel van zijn kunstverzameling veilen omdat hij te veel heeft. Kunstwerken die hij zijn leven lang verzamelde (het eerste kocht hij op zijn negentiende) staan half uitgepakt in de toonzalen van het veilinghuis Christie’s in Amsterdam. 212 stuks, met een verwachte opbrengst van een miljoen euro. Aanstaande vrijdag kunnen kopers komen kijken, de veiling zelf is op 6 september.

Interieurarchitect Jan des Bouvrie (69) – zwarte broek en overhemd, wit katoenen jasje – moet zich enorm inhouden, zegt hij, om niet meteen te gaan schuiven en schikken met z’n spullen. Hij aarzelt bij een modern Chinees beeld op een honderd jaar oud Franse consoletafeltje. Je ziet hem besluiten het mooi te vinden. Monique des Bouvrie (49) – in zwarte broek met grijs giletje – draait het kunststof varkentje met Mao erbovenop toch net even anders. Een week of drie geleden stond het nog bij haar thuis. Ze roept, lachend maar serieus: „De muren. Waarom zijn de muren niet wit?” De wanden op de eerste verdieping van Christie’s zijn lichtbruin.

Wit is Jan des Bouvrie. Hij heeft de bruine Nederlandse huiskamer wit gemaakt. Inmiddels zijn we op de tweede verdieping van Christie’s, daar zijn de wanden wel wit. „Zie je hoe mooi? Kunst, bloemen, mensen. Alles komt beter uit.” Het zit ’m niet in de kleur – „Ik ben dol op kleur” – het gaat om de ruimte die door wit ontstaat, om het licht. Later, als we in de boardroom van het veilinghuis zitten aan de gedekte tafel met etagères vol fruit en broodjes, zal hij zeggen dat hij een filosofie heeft over zijn hunkering naar licht. „Ik ben geboren in een tussenkamertje zonder ramen boven de zaak.” Zijn ouders hadden een Goed Wonen-meubelwinkel in Bussum. „Instinctief heb ik altijd het licht gezocht.”

Na de mulo en na zijn examen op de Kunstnijverheidsschool (nu de Rietveld Academie) nam hij het bedrijf van zijn ouders over. „Ik schilderde alles wit, zelfs de palissander kasten. Geen hond kwam de winkel meer binnen.” Zodra de mensen dat wel begonnen te doen, hing hij kunst op. „Ab-so-luut not done in die tijd. Kunst verkocht je niet boven een bank. Dat hoorde in het museum of de galerie.” Met hoe het hoort, heeft hij nooit wat op gehad. Waarom zou een meubelmaker zich niet met kunst bemoeien? En wie zegt dat een kunstenaar niet mag ontwerpen voor een bouwmarkt, zoals hij als eerste deed? „Nu is het volkomen geaccepteerd dat een ontwerper als Marcel Wanders behang maakt voor Karwei.” En dat komt, zegt hij, mede door hem.

Chaise longue

Nee, hij zal zichzelf nooit kunstenaar noemen. „Ik ben een vakman. Een ouderwetse. Ik maak geen bank waarop je niet kunt zitten.” Een vakman die van kunst houdt. „Ik zat met Wim T. Schippers op de academie. Hij kreeg een bureau van mij in ruil voor een schilderij.” In de veilingcatalogus staan twee werken van Schippers. Toen hij allang een bekend ontwerper was, ging het nog zo. „Herman Brood kocht een chaise longue en betaalde met een schilderij.” De Brood die hij nu wegdoet, moet tussen de 200 en 300 euro opbrengen.

Jan des Bouvrie houdt het bij een glaasje vruchtensap. Hij is ondertussen al pratend in Parijs, New York en Milaan geweest, maar ik wou nog even terug naar de zaak in Bussum. Hij schakelt naadloos terug in de tijd. „Tijdloze meubelen had ik: van Pastoe, Gispen, Gelderland. Met kunst kleedde ik de winkel aan. De splitsing was meteen duidelijk. De makkelijke, decoratieve kunst was meteen weg. Maar de avant-gardistische, de echt goede kunst, werd niet verkocht.” Dat is zijn geluk geweest, zegt hij. „Zo is mijn verzameling ontstaan.”

Hij is ervan overtuigd dat hij zo mensen kunst heeft leren waarderen. „Die prachtige collectie van Andy Warhol...”, zegt Monique. Hij: „Die afbeeldingen van Mohammed Ali. Prachtig. Verkocht aan een aannemer. Hij zegt: doe mij die plakplaatjes maar. Dat het kunst was, interesseerde hem niet. Hij was gek op Ali.” Monique: „Hij heeft het nog steeds hangen.” Jan: „Ja-ha. En als ik zeg dat ik het wel wil terug kopen, doet hij het mooi niet. Monique: „Hij weet nu heel goed wat hij heeft.”

Monique des Bouvrie denkt ook dat je mensen kunt leren te genieten van kunst. Herman Heinsbroek, ondernemer en voormalig LPF-minister is door en met hen Chinese kunst gaan verzamelen. Jan: „Hij heeft nu de grootste collectie van iedereen.”

Langzamerhand wordt ook de moeilijkere, moderne kunst meer gewaardeerd. Monique: „Mensen zijn zich erin gaan verdiepen. Het is niet meer klakkeloos: ‘Wat kost het? Ik koop het.’ Ze zoeken er nu informatie over. Dat is wel beter, vind ik.”

Jan: „Ik heb altijd hard gewerkt om klanten te geven wat ze mooi vonden. Ik verbouwde hun huis, richtte het in, bracht kunstwerken op zicht, zodat ze er in hun eigen omgeving aan konden wennen.”

Zelf verzamelden Jan en Monique des Bouvrie niet om het verzamelen zelf. Jan: „Ik heb het altijd vanuit mijn vak gedaan.” Monique: „Maar toch ook vanuit de emotie?” Jan: „Mijn vak is emotie.”

Fases

Ruim tien jaar geleden, in 1999, veilden Jan en Monique des Bouvrie ook al een deel van hun verzameling. ‘Art on the move’ was de titel van die veiling. Zo moet het ook, vinden ze. Kunst moet door. Naar de volgende eigenaar. En zij moeten zelf ook verder, zeggen ze. „Je gaat door fases heen. Dan is het tijd voor nieuwe dingen.” En daar is ruimte voor nodig. Dit is het moment waarop Jan zijn vrouw aanmoedigt het vooral toch eerlijk te zeggen om dat vervolgens zelf te doen. „We reizen vreselijk veel. We waren in Basel op de kunstbeurs. Zo’n grote zaal met oude meesters, daar loop ik doorheen. Maar die kleine zaal, daar zie je de avant-garde. Met al die fantastische kunst van al die jonge kunstenaars. Normaal zou ik zeker wat gekocht hebben.” Maar nu dacht hij: „Ik héb al zo veel. Komt er wéér iets bij.”

In wat er nu weggaat zit tijd en liefde, zegt hij. „Het laat mijn leven zien.” Dat lijkt behoorlijk constant, althans qua smaak. „Ik heb een tijdje Nederlandse kunstenaars verzameld, daarna was ik lang gek van de Amerikanen. Warhol. Koons. Maar wat ik altijd heb gedaan is jonge, actuele kunst kopen.”

Heel kortstondig heeft hij een zwarte periode gehad. Dat was na de scheiding van zijn eerste vrouw, 28 jaar geleden. „Ik had alleen nog zwarte meubels thuis. Achteraf zag ik: de mensen zaten toen gewoon op mijn depressie.”

Hopelijk hebben de te veilen kunstwerken nu voor de kopers een extra kwaliteitsstempel, zegt de ontwerper. „Want Jan vindt het mooi. En Jan heeft smaak.” Een paar van zijn eigen ontwerpen staan ook bij Christie’s. Een met fluorescerend roze verf besmeerde kubusbank, een ontwerp waarmee hij in 1969 bekend werd, en een blauwe sofa uit een latere periode. Hij heeft nooit zijn eigen meubels verzameld. Dat wordt nog wat, als het Singer museum volgend jaar een overzichtstentoonstelling over hem wil inrichten omdat hij dan zeventig wordt. „Die rotan stoel die Rik Felderhof voor zijn televisieprogramma op zijn auto vervoerde? Geen idee waar die is gebleven. Het stoeltje voor Unicef waar Katharine Hepburn nog op zat? Weg.” Wat ze wel bewaarden: het wiegje naar eigen ontwerp voor hun dochter Bo. De kinderstoel die een kunstenaar voor zoon Jan maakte. Maar verder?

Vreselijk spijt hebben ze gehad, dat ze destijds een werk van de Britse kunstenaars Gilbert & George veilden. Niet alleen omdat het nu veel meer waard is, maar vooral om het gemis van het werk zelf. Monique: „Het zijn toch emotiedingen.” De 212 kunstwerken die nu geveild worden komen uit hun huizen in Naarden en Saint-Tropez, en uit het Arsenaal, ook in Naarden, waar ze hun showroom hebben. Jan des Bouvrie: „De mensen van Christie’s kozen de krenten uit de pap.”

Monique bladert door de catalogus en kreunt. „Mijn bureau.” Gedecoreerd door de Italiaanse kunstenaar Mimmo Rotella, gekocht in Milaan. „Ik moest het hebben toen ik het zag. Ik wist niet dat dat ook weg ging.” Ze is blij dat de sombere schilderijen van de Amerikaan Jim Dine weggaan. „Dat is Jan.” Zij is meer van de kleurige pop-art, zegt ze.

Twee gouden hangertjes van César, een Franse beeldhouwer, gaan ook weg. Jan: „Ik heb ze voor Monique gekocht. Maar ze liggen al vier jaar in de kast. Ze draagt ze nooit.” Monique: „Ik was vergeten dat ik ze had.” Ze vindt ze prachtig, daar niet van. Maar hoe gaat dat, het ligt niet binnen handbereik. En dan doe je het niet om. Jan: „Ik had toch gehoopt dat je het aan een kettinkje zou hangen.” Monique: „Niet dus.”

Dat bedoelt Jan des Bouvrie nou. Op een gegeven moment heb je gewoon te veel. Hij vertelt wat Sarina hem vertelde. Sarina is een vrouw die Monique weleens ziet om positiviteit en kracht op te doen. „Ze droomde dat ik geblinddoekt in huis liep. Overal stonden meubelen en kunstwerken. Ik wist van alles precies wat het was. Maar ik zag niks meer.”

Jan des Bouvrie neemt een plakje cake, zij plukt een framboosje van het schaaltje. Eigenlijk hadden we een dag eerder afgesproken voor de lunch. Maar Jan des Bouvrie moest plotseling naar het ziekenhuis. Monique: „Alles is nu goed, hoor.” Zijn hart leek van slag. Monique tegen Jan: „Je had ook veel te hard gewerkt.” Jan: „Ik haal niet eens adem als ik praat. Geen tijd voor. Als ik teken ook niet. Ik los het op door te gaan neuriën.”

Afbouwen, loslaten, terug naar de eenvoud. Dat willen ze. Jan des Bouvrie: „Als kind bouw je een paleis in je kop. Dat doet iedereen. Als dat paleis te groot wordt, moet je terug naar af.” Hij merkt het ook in zijn ontwerpen. „Mijn werkkamer ziet er nog precies zo uit als ik hem ooit heb ontworpen. Geen fratsen, geen frutsels. Simpel. Iets maken wat mooi is én tijdloos is het moeilijkste wat er is. Kijk naar Picasso. Die kon één idee met een ononderbroken lijn neerzetten. Rem Koolhaas, die heeft zo weinig nodig om een pracht van een gebouw neer te zetten. Jan Schoonhoven maakt een kunstwerk van 32 schuine witte vlakjes. Dan heb je het over de meesters. En aan het eind van mijn leven wil ik nog een paar meesters hebben overgehouden.”

    • Rinskje Koelewijn