Vijandig klimaat

Klimatologie Stijgende temperaturen leiden tot meer binnenlandse conflicten, schrijven onderzoekers deze week in Nature.

Karel Knip

Er is wel degelijk een verband tussen klimaatverandering en oorlog. Hoe warmer het wordt, hoe groter de kans op een binnenlands conflict, althans in landen rond de evenaar. Na een aantal jaren waarin herhaaldelijk, maar steeds vruchteloos, geprobeerd is een relatie tussen temperatuurstijging en de kans op oorlog aan te tonen komt het tijdschrift Nature deze week met een eerste sterke aanwijzing. In landen waar tijdens een sterke El Niño-gebeurtenis (zie kader) de temperatuur tijdelijk oploopt, verdubbelt de kans op een binnenlands conflict.

De nieuwe studie is van de hand van politicologen en klimatologen van Columbia University in New York. Eerste auteur is politicoloog Solomon Hsiang. De analyse is een wonder van eenvoud.

El Niño’s, die zich boven de Stille Oceaan ontwikkelen, beïnvloeden het weer tot op zeer grote afstand van het ontstaansgebied. De zogenoemde ‘teleconnecties’ strekken zich zelfs uit tot Afrika en Zuid-Azië. Bijna altijd bestaan ze uit een tijdelijke opwarming en meestal ook uit afnemende neerslag. Het kan een half tot een heel jaar duren.

Hsiang c.s. verdeelden de wereld in een gebied dat duidelijk reageert op El Niño’s (‘teleconnected’, voornamelijk de continentale tropen) en een ander gebied waar de relatie maar zwak is. Voor de periode 1950 tot 2004 telden ze per jaar en per zone het aantal binnenlandse gewapende conflicten met minstens 25 doden. Ze deelden dat door het aantal landen binnen de zone (dat zijn er tegenwoordig 90 in het teleconnected gebied) en noemden dit het jaarlijkse conflictrisico, ACR. Met 8 binnenlandse conflicten in 90 landen (zoals in 1997) is de ACR dus 8,9 procent. Meestal is hij veel lager.

Vervolgens zetten ze deze kans af tegen de jaargemiddelde temperatuur van het zeewater ten westen van Peru. Dat gebied (met NINO3 aangeduid) is min of meer maatgevend voor het optreden van een El Niño en de hevigheid daarvan.

Meer was niet nodig. De grafieken laten zien dat de blauwe zone die nauwelijks op een El Niño reageert een constante lage ACR heeft. Dat is ongetwijfeld aan niet-klimatologische omstandigheden te danken, het doet niet ter zake. Waar het om gaat is dat in de rode teleconnected zone (de 90 landen in of bij de tropen die stuk voor stuk sterk van de landbouw afhangen) de kans op het uitbreken van een conflict sterk stijgt als het water bij Peru erg warm wordt.

Voilà. Dus toch. Al eerder meenden onderzoekers dit verband aangetoond te hebben. De laatste geruchtmakende poging is van Marshall Burke (University of California, Berkeley), die op 8 december 2009 publiceerde in de Proceedings of the National Academy of Sciences. Hij registreerde voor de periode 1981-2002 eenvoudigweg de temperatuur en neerslag van Afrikaanse landen waarbinnen een gewapend conflict heerste dat jaarlijks minstens 1.000 doden eiste. Daarnaast bracht hij correcties aan voor per land aanwijsbare inherente redenen voor conflict die niets met het klimaat van doen hadden.

De Noorse politicoloog Halvard Buhaug heeft het werk van Burke fel bekritiseerd in de PNAS van 21 september 2010. Voor een deel op methodologische grond (de correcties), maar ook om de gehanteerde criteria. De periode 1981-2002 was te kort en het criterium ‘minstens 1.000 doden’ hield veel kleinere opstanden en schermutselingen buiten de analyse. Ook vindt Buhaug dat je in dit verband niet moet kijken naar bestaande conflicten (ongoing wars) maar juist naar het uitbreken van conflicten (new wars).

Dat laatste is precies wat Hsiang c.s. hebben gedaan. Zij turfden alleen conflicten die uitbraken na een vreedzame periode van minstens twee jaar. Bovendien onderzochten ze een veel langere periode dan Burke (1950-2004) en namen ze ook kleine opstanden mee. Niet onbelangrijk: ze keken verder dan Afrika alleen.

Buhaug bleek deze week dan ook waardering te hebben voor de nieuwe studie. Hij noemt die ‘interessant’ en ‘statistisch overtuigend’. “Het zit goed in elkaar.” Sterk aan het werk is vooral dat naar temperatuurveranderingen is gekeken die zich over heel grote gebieden, ja zelfs continenten uitstrekken. Die zullen eerder van invloed zijn op markten en voedselprijzen dan de strikt lokale temperatuurveranderingen die Burke onderzocht.

Een handicap is dat de zeewatertemperatuur bij Peru een slechte voorspeller is voor de grootte van de temperatuurstijging in, bijvoorbeeld, Haiti of Eritrea. “En er is niets bekend over causaliteit”, zegt Buhaug. “Er is een significant effect, maar je weet niet waaróm er meer conflicten zijn als het warmer wordt. Dat moet nu uitgezocht worden.”

Hij beaamt dat voor wat betreft oogsten en voedselprijzen veranderingen in neerslag eigenlijk interessanter zijn dan variaties in temperatuur. En dat El Niño’s meestal te kort duren om, met mislukkende oogsten, de voedselsituatie dramatisch te beïnvloeden.

Dat laatste hebben ook Hsiang c.s. zich gerealiseerd. De El Niño-invloed die zij hebben gevonden kan niet worden gebruikt om de gevolgen van de gestage, goed voorspelbare opwarming door het broeikaseffect te voorspellen. Tot bekend is waardoor conflicten toenemen als het warm wordt.

    • Karel Knip