Rondje Rio

In een serie over de stad en het water ziet Philip de Wit hoe Rio niet zonder haar prachtige meer kan. Aan de oevers hoor je de laatste roddels.

Over Rodrigo de Freitas is niet heel veel bekend, toch kent iedereen in Rio de Janeiro zijn naam. Hij was een officier van de Portugese cavalerie in de 17de eeuw en sloeg op zijn 18de in Brazilië een vrouw van 35 aan de haak. Zijn geliefde Petronilha Fagundes was rijk. Zij bezat grote stukken grond in Rio de Janeiro. In een eerbetoon aan de jeugdige Portugees werd het adembenemende meer in de stad naar hem genoemd: Lagoa Rodrigo de Freitas.

Geen stad is zo bekend om zijn stranden als Rio de Janeiro. Maar een van zijn andere natuurwonderen is toch het prachtige meer, kortweg Lagoa genoemd. Het ligt ingeklemd tussen bergen met Atlantisch regenwoud en elitewijken als Ipanema, Jardim Botanico en Leblon. In 2 016, als de Olympische Spelen plaatshebben in Rio de Janeiro, zal het onder andere worden gebruikt voor de roei- en kanowedstrijden.

Met een omtrek van bijna 8 kilometer is het meer voor de cariocas, zoals de inwoners van Rio de Janeiro worden genoemd, een populaire bestemming voor wie even geen zin heeft in strand. Het gecombineerde voet- en fietspad langs de oevers is bijna altijd druk bezet met dagjesmensen, hardlopers, moeders met kinderwagens, verliefde paartjes en gepensioneerde buurtbewoners.

Wie het meer, zijn omgeving en zijn bezoekers wil leren kennen, moet gewoon een rondje maken. En dan kun je beginnen op de Avenida Epitácio Pessoa, een weg die parallel ligt aan de boulevard van Ipanema.

Daar komen we de 64-jarige Ana Sofia Braga tegen. Voor de gepensioneerde onderwijzeres is een rondje Lagoa „een must”. Iedere dag schuifelt zij over het gecombineerde fiets-voetpad. Braga draagt een gele band in het geblondeerde haar en op haar neus leunt een zonnebril van indrukwekkende omvang.

Langs het pad waar Braga loopt, staan mannen met ijsco-achtige wagentjes met koude kokosnoten, bier en frisdranken. Nonchalante jongens in bermuda’s, op Vans, zoeven voorbij op skateboards, de lange haren wapperend in de wind. In het water staat een eenzame reiger op een stuk hout. Op de Corcovado berg in de verte is het befaamde Christusbeeld, dat de stad tekent, zichtbaar.

Braga’s hondje, een zwarte poedel, is net naar de kapper geweest. Om zijn pootjes zitten schoentjes. Het is winter in Rio en dus tijd voor dikke kleren. Ook voor de schoothondjes. Zelfs al wordt het overdag rap een graad of 27 als de zon schijnt.

Het hondje heet Robert genoemd naar een Amerikaanse acteur, die van zijn achternaam Redford heet, „zo’n knappe man.”

Aan het meer voelt Braga zich tot leven komen, de frisse lucht, de energie van de lopende, rennende en fietsende mensen. „Een dag zonder Lagoa is voor mij ondenkbaar, hetzelfde als niet wekelijks naar de schoonheidsalon gaan om mijn nagels te laten doen. De natuur is hier prachtig”, zegt zij.

Zij heeft gelijk. Lagao is daarbij van de weinige locaties waar de gemeente het heeft aangedurfd een complete sloppenwijk vandaan te verhuizen. Dat was in 1970. De aanwezigheid van de sloppenwijk was te veel een smet geworden op het plaatje van ‘ansichtkaart’ Lagoa. Op de plek waar de zogenoemde favela da Catacumba was gevestigd, is nu het park van Catacumba. Toeristen stromen daar naar toe voor de beeldentuin, de natuur, de apen, bergbeklimmen en abseilen.

Het meer speelt, volgens Braga, een belangrijke rol in het sociale leven van zijn bezoekers. „Je ontmoet hier je vrienden, je hoort hier de laatste roddels. En als je ’s avonds een ronde maakt, zijn er tal van lokalen om te pauzeren voor een drankje met een kennis.”

Het meer is omcirkeld door barretjes, restaurants en eettentjes. Ook zijn er eliteclubs gevestigd, waar de rijken bijeenkomen, verscholen achter omheiningen, om te eten, te sporten en aan het zwembad te liggen.

De Caiçaras Club is zo’n plek, gelegen op een eilandje in het meer. Hoewel er tegenwoordig een loopbrug naar het eiland is, brengt een ouderwets raderbootje met een omwentelend wiel ook nog steeds mensen naar de overkant. Gasten die de club bezoeken worden geïdentificeerd op basis van hun vingerafdrukken.

Balletje slaan

Ooit was het eilandje (33.000 vierkante meter) van de Caiçaras Club een en al oerwoud. Inwoners van de stad gingen er naar toe om te relaxen, en te zwemmen in het meer. In 1930 kreeg een groepje mensen echter toestemming er een club te vestigen. Wie tegenwoordig lid van de club wil worden, moet hopen dat er iemand afstand wil doen van zijn zogenoemde lidmaatschapstitel. Kosten: 100.000 euro.

Hier hebben de bezoekers de beschikking over drie restaurants, terrassen met uitzicht op het meer, zeven tennisbanen, een judo- en pilateszaal, een hypermoderne gym, vier zwembaden, een speeltuin voor de kinderen, volleybal- en voetbalveldjes. Op de tennisbanen zie je blanke dames op leeftijd een balletje slaan met donkere, jonge, atletische tennisleraren.

Bij het grote zwembad ligt twintiger Clara Pinto, meegekomen met een vriendinnetje dat lid is. Pinto, al nippend van een wit wijntje, zegt dat ze het hier geweldig vindt. Fijn onder je eigen mensen. Op afstand van de chaos van de stad. Zij zegt: „Natuurlijk is het een privilege, maar ik kan hier wel rustig mijn iPhone op tafel laten liggen zonder dat iemand ’m meeneemt. En als ik me verveel, kan ik altijd een lesje waterskiën boeken bij Gregg. Dat heb je op het strand niet.”

Ondanks de aanwezigheid van gesloten clubs zijn er genoeg andere plekken waar de minder vermogende cariocas heen kunnen gaan aan het meer. Er zijn talrijke parkjes met speeltuintjes. Trendy bars met lange ligstoelen, sofa’s, op houten decks. Restaurants waar typisch eten, met Afrikaanse invloeden, uit het Noordoosten van Brazilië wordt opgediend.

Wie klaar is met een rondje, kan het meer zelf opgaan. Zeilers, roeiers en waterskiërs glijden er over het vlakke water. Wat ook mogelijk is: een waterfiets in de vorm van een zwaan huren. Het geeft mensen de mogelijkheid het meer vanuit een ander perspectief te zien.

Op een steiger staat timmerman Cristiano Ferreira na te genieten van een tochtje met de waterfiets. Elke week, als hij tijd heeft, komt hij naar Lagoa. Om bij te komen en te lunchen met de familie. Hij zegt: „Pas als je midden op het water zit, voelt de stad ineens ver weg, terwijl je er toch midden in zit. Als het tegen zonsondergang loopt, dan krijgt Lagoa iets magisch, met de rode gloed in de lucht, het Christusbeeld. (..) Het blijft prachtig. Je kan Rio de Janeiro niet voorstellen zonder Lagoa.”