Op het achterschip zitten nog overal klodders PEG en een onbestemde smurrie

Verschillende monsters scheepshout. De werkplaats van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Lelystad. Hier wordt o.a. het Romeinse schip de Meern 1 geconserveerd met behulp van polyethyleenglycol. Foto: Peter de Krom

Vlakbij de IJsselmeeroever, ingeklemd tussen de Bataviawerf en de televisietoren van Lelystad, staat een langwerpig gebouw dat doet denken aan een omgekeerde scheepsromp. Hier huist de Afdeling Scheepsarcheologie, de maritieme poot van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Dat deze afdeling werkt vanuit de Flevopolder is geen toeval. Met de drooglegging openbaarde zich hier het grootste scheepskerkhof van Europa.

De meest oostelijke hal van het 120 meter lange pand heeft reusachtige schuifdeuren en een kraanbaan. “Dit is de afdeling opname”, grapt Laura Koehler, specialist maritieme materialen en één van de drie stafleden die in deze vakantietijd nog aan het werk zijn. In de hal liggen nu twee pronkstukken.

Begin juli stuitten archeologen bij een opgraving in de nieuwbouwwijk Houten-Castellum op een kano uit de IJzertijd – zo’n 2.500 jaar oud. Gehakt uit één eikenstam, met beide punten er nog aan, een zeldzaamheid. Zolang de opgravende partij en de gemeente Houten nog niet hebben besloten wat ze ermee gaan doen, is het scheepje opgeslagen in de entreehal van Scheepsarcheologie. Het ligt onder een dekzeil in een langwerpige bak. Koehler wijst naar een tuinslang die onder het zeil verdwijnt: “De kano wordt nat gehouden met deze geperforeerde slang om te voorkomen dat hij uitdroogt en uit elkaar valt.”

In dezelfde hal ligt een Romeinse platbodem uit de tweede eeuw na Christus. Het is een rivierschip dat vracht vervoerde over de benedenloop van de Rijn, die hier de noordgrens (limes) vormde van het Romeinse Rijk. Het eikenhouten schip werd in mei 2003, ongeladen, maar met een complete inventaris aan boord, opgegraven in een vinexlocatie bij Utrecht, bij de resten van een Romeins fort (castellum). Het is naar de vindplaats ‘De Meern 1’ gedoopt.

Wat hier in een stalen frame ligt, is alleen de achterste helft. Het schip was 25 meter lang en 2 meter 50 breed. Gezien die onhanteerbare lengte werd het in tweeën gezaagd en zo vervoerd naar Lelystad. Daar begon een langdurig conserveringsproces. Om oud scheepshout te bewaren maakt de afdeling al zo’n jaar of veertig gebruik van een procedé dat eerder is toegepast bij de conservering van het zeventiende-eeuwse Zweedse oorlogsschip Wasa (geborgen in 1961). De scheepshelften worden ondergedompeld in een bad van polyethyleenglycol (PEG), een wasachtige stof die oplost in water. Het achterschip van De Meern 1 heeft vijf jaar in de grote blauwe bak gelegen die speciaal voor dat doel is neergezet in de tweede hal. In mei wisselde het van plaats met het voorschip, dat nu in de conserveringstank ligt.

Op het achterschip zitten nog overal resten PEG, net klodders kaarsvet, en een onbestemde smurrie. Lucas van Dijk, de specialist die verantwoordelijk is voor conservering en restauratie: “Het schip is schoon de conserveringsbak in gegaan, maar tijdens dat proces gebeurt er van alles.”

Het wrak gaat eerst in een bad met alleen water. Dit wordt vervangen door PEG, heel langzaam, want het conserveringsmiddel moet vanaf de kopse kant door het hout heen dringen, zodat alle cellen worden gevuld. Daarbij wordt de temperatuur beetje bij beetje opgevoerd, om de PEG vloeibaar te houden.

Van Dijk: “Het gevaar bestaat dat je het scheepswrak droog kookt. Doe je in één keer een hoge concentratie PEG in de bak, om het proces te versnellen, dan komt die oplossing maar tot hier [hij wijst naar een derde van de scheepswand]. Dan zijn alleen de uiteinden goed geïmpregneerd en daartussen gaat het water naar buiten, zonder dat er PEG in komt. Dan krijg je celcollaps en klapt het schip onder water in elkaar. We verhogen de concentratie dus heel geleidelijk. Bij 30 procent ontstaat er algengroei in het bassin. Die algen gaan op den duur dood en het residu valt naar beneden. Dat is de viezigheid die je op het hout ziet. Ga ik die algengroei bestrijden, bijvoorbeeld met borax, loop ik het risico dat de stollings

grens van de PEG daalt. Er zijn middeltjes die geen invloed hebben op de stollingsgrens, maar die zijn heel giftig. Dat doen we liever niet.”

Archeoloog Yardeni Vorst, specialist scheepshout, vertelt wat het onderzoek aan het wrak heeft uitgewezen: “Kenmerkend voor Romeinse schepen van dit type is dat de zijkanten zijn gemaakt uit één boomstam. Daarin is een L uitgehakt. Het voordeel daarvan boven twee planken is dat je geen lekkage hebt via een lasnaad. Die L-vormige delen fungeren ook als stabiliserende factoren aan de zijkant, want het schip heeft geen kiel.”

Hoe oud is De Meern 1? Vorst concludeert aan de hand van boomjaarringonderzoek dat de planken van 148 na Chr. zijn. “De Stichting Ring heeft tussen het scheepshout één eik gevonden uit oostelijk Nederland. Eén plank, met weinig knoesten, is bijna net zo lang als het schip; dat moet een boom van ruim veertig meter zijn geweest. Zulke hoge eiken vind je nu alleen nog in een bos in Polen.”

Dirk Vlasblom