Onafhankelijkheid loont

Een van de verborgen graadmeters van de economie is de intensiteit waarmee politici kritiek uitoefenen op ‘hun’ onafhankelijke centrale banken. De stijging van deze kwalitatieve index duidt erop dat de Europese en Amerikaanse schuldencrisis nog niet op haar hoogtepunt is en dat de maatregelen tegen de crisis volop politieke verdeeldheid zaaien.

Gouverneur Rick Perry van Texas, die een beste kans wordt toegedicht om de Republikeinse uitdager van president Barack Obama te worden, beschuldigde voorzitter Ben Bernanke van het stelsel van Amerikaanse banken (Fed) vorige week van „landverraad”. Perry dreigde met „akelige” consequenties als Bernanke het monetaire beleid zou versoepelen ten faveure van Obama. Perry kreeg meteen een ferm standje van partijgenoot Karl Rove, vertrouweling van ex-president George Bush. Bush benoemde Bernanke. In zijn verslag van de controverse liet de Britse krant Financial Times de wapenvergunning van Perry niet onvermeld.

In Duitsland komt de kritiek uit gezaghebbende hoek. Afgelopen week laakte president Christian Wulff in een redevoering de „juridisch bedenkelijke” interventies à ruim 100 miljard euro door de Europese Centrale Bank (ECB) op de markt van staatobligaties van zwakke eurolanden, zoals Italië en Spanje. Hij zegt dat de centrale banken hun mandaat overschrijden. Die opvatting leeft breder onder Duitse politici en binnen de Bundesbank. In haar verslag over augustus nam de Duitse centrale bank onder leiding van haar kersverse president Jens Weidmann het beleid van de ECB én de Duitse regering op de korrel.

In de VS én in Europa hebben centrale banken de laatste drie jaar onconventionele instrumenten gebruikt om de crisis te bestrijden. De actieve rol van de centralebankiers is soms zo veel meer zichtbaar in vergelijking met talmende politici dat zij zelf wel de bestuurders lijken. Maar centralebankiers hebben, anders dan politici, geen kiezersmandaat. Zij hebben een professioneel mandaat: inflatie beteugelen en, in de VS, ook economische groei bewerkstelligen. De meeste maatregelen om groei te bevorderen liggen buiten het domein van de centrale banken, zei Bernanke gisteren op het jaarlijkse informele overleg van centrale banken in Jackson Hole (Wyoming).

Het Amerikaanse mandaat is breder dan het Europese en het wantrouwen tegenover centralebankiers zit in de VS historisch ook dieper. Ongenoegen en woede over de centrale bank zijn in Washington integraal onderdeel van het publieke debat. In Europa en in Nederland halen sommige politici hun achterstand inmiddels in, getuige bijvoorbeeld hun vertrouwensverlies in De Nederlandsche Bank (DNB) na het debacle met de gesneefde DSB en de opzichtige politieke inmenging in de benoeming van de opvolger van DNB-president Nout Wellink.

Gezien de gevolgen van de crisis, zoals banenverlies, dalende koopkracht en dalende huizenprijzen, is het begrijpelijk dat politici en anderen gebruikmaken van hun democratisch recht om kritiek te hebben op het geldbeleid van centrale banken.

Natuurlijk: alle geld is politiek. Maar zeker politici moeten twee dingen goed beseffen. Als eerste: de les van de laatste dertig jaar is dat het loont om politiek onafhankelijke centrale banken te hebben. Zij boezemen dankzij lagere inflatie en lagere rentestanden burgers, ondernemers en beleggers meer vertrouwen in. Ten tweede slaat politieke kritiek als een boemerang terug. De invloed van centrale banken is doorgaans de invulling van politieke leegte. De graadmeter van de politieke kritiek op centrale banken stijgt met de groeiende onmacht van politici zelf om schuldengroei te beperken, geloofwaardige groeistrategieën te ontwerpen en de burgers daarover duidelijkheid te geven.