Na foltering ternauwernood bevrijd uit Gaddafi's beruchte gevangenis

De Abu Slim-gevangenis in Tripoli was hét symbool van de repressie onder Gaddafi. De plek staat diep in de Libische psyche gebrand. Gisteren was het er veilig genoeg voor ex-gevangenen en familie.

Tegenstanders van het Gaddafi-regime zijn bevrijd uit de beruchte gevangenis Abu Slim in Tripoli. Foto AP A Libyan walks inside the Abu Salim prison in Tripoli, LIbya, Friday, Aug. 26, 2011,one Libya's most notorious prisons and the scene of a 1996 massacre of prisoners. (AP Photo/Sergey Ponomarev) AP

Mohammed Ibrahim trekt zijn T-shirt omhoog. De rode striemen op zijn rug zijn het gevolg van zijn arrestatie, begin augustus. „Ik verzorgde de contacten tussen Tunesië en de rebellen in Tripoli”, zegt hij. „Ik was één keer te vaak naar Tunesië gegaan. Ze hebben mij eerst gefolterd op een politiebureau in de stad en opnieuw toen ik hier kwam.”

Vandaag is de eerste dag sinds de rebellen Tripoli grotendeels innamen dat het veilig is om naar de Abu Slim-gevangenis te komen. Ibrahim wilde meteen naar de gevangenis waaruit hij pas woensdag is ontsnapt. „Ik had het gevoel dat ik moest afrekenen met de slechte herinneringen aan mijn verblijf hier. We zaten met dertien man in een cel, en de laatste drie dagen zaten we zonder eten.”

De Abu Slim-gevangenis is berucht in Libië. Niet alleen omdat het de gevangenis bij uitstek is waar het regime van Moammar Gaddafi zijn politieke tegenstanders opsloot. In 1996 werd een bloedbad aangericht waarbij 1.269 mensen om het leven kwamen. Het was de tijd waarin Gaddafi de strijd had aangebonden met de moslimfundamentalisten. Een beetje baard hebben was toen genoeg om opgesloten te worden. Het lijkt soms wel alsof iedereen in Libië wel iemand kent die in Abu Slim heeft gezeten of er is gestorven.

„Mijn neef en oom zijn allebei in Abu Slim gestorven”, zegt Mohammed Orafi (30), een tandarts die ook net vrij is uit de gevangenis. „Hun enige misdaad was dat ze vijf keer per dag naar de moskee gingen. Ze waren verder helemaal niet radicaal.”

Het bloedbad van 1996 was een gevolg van een opstand van de gevangenen, die betere medische zorg eisten. De drastische oplossing van het regime was om het vuur te openen. En het Abu Slim-drama zou nog een vreselijke nasleep kennen. Tot 2002 weigerde het regime toe te geven dat er iets gebeurd was in de gevangenis. Al die tijd bleven de families in het ongewisse. „Zes jaar lang zijn we eten blijven opsturen, zelfs een televisie en een satellietschotel”, zegt Orafi. „Dat hebben ze natuurlijk allemaal gestolen.”

Ook de broer van Adil Ben Soud, nu adviseur mensenrechten bij de rebellenraad in Benghazi, vond de dood in Abu Slim. „Op een bepaald moment is een man die met mijn broer in de cel zat ons komen opzoeken. Hij had al die tijd zijn voedselpakketten in ontvangst genomen”, zegt Ben Soud.

In zekere zin is Abu Slim ook verantwoordelijk voor de opstand van 17 februari dit jaar. Advocaten die de families vertegenwoordigen waren de enigen die zich verzetten tegen het regime. Fathi Terbel, nu minister in de rebellenraad, was de voornaamste. Terbels arrestatie in Benghazi op 15 februari zorgde ervoor dat de opstand twee dagen vroeger begon dan de ‘dag van de woede’ die toch al was gepland.

Sindsdien is het erg druk geweest in Abu Slim. Op het uitgestrekte gevangenisterrein was zelfs een grote tent opgesteld om de toevloed van gearresteerde Libiërs op te vangen. Mohammed Orafi belandde hier nadat drie verpleegsters in het ziekenhuis waar hij werkt een rapport hadden opgesteld over zijn kritische opmerkingen over het regime. „Ze hebben mij gearresteerd terwijl ik met een patiënt bezig was.”

Vijf dagen lang werd Orafi gefolterd in de beruchte ‘Katiba 77’ in Bab al-Aziziya, het Gaddafi-hoofdkwartier in het centrum van Tripoli. „We moesten op de grond slapen en we werden elke twee uur gewekt. Ze sloegen ons en bewerkten ons met stroomstoten.” Toen werd hij naar Abu Slim overgebracht. Maar er was een groot verschil met de tijd toen zijn neef en oom hier zaten, zegt Orafi. „Wij hadden hoop. Telkens wanneer er nieuwe gevangenen binnenkwamen kregen we nieuws over het vorderen van de opstand.”

Orafi’s vriend Mohammed Zayani, een 24-jarige IT-specialist, belandde in Abu Slim toen hij een bom aan het maken was om te gebruiken tegen de tanks die het regime inzette tegen Tajoura, een buitenwijk van Tripoli die bekendstond als anti-Gaddafi. „Ik was ondergedoken sinds de opstand in Tripoli eind februari hard was neergeslagen,” zegt Zayani. „Op een bepaald moment hebben ze gedreigd om in mijn plaats mijn vader te arresteren. Mijn vader heeft een zwak hart. Ik ben naar huis gegaan en ze hebben mij prompt gearresteerd.”

De twee vrienden hebben in de gevangenis een paar vooroordelen moeten herzien. Zoals veel Libiërs hebben ze het over de ‘mortazaga’, de zwarte huurlingen die het vuile werk opknapten voor Gaddafi. Maar ze geven toe dat hun folteraars gewoon Libiërs waren, en dat de Afrikaanse huurlingen vaak meer medeleven toonden dan de Libiërs. Maar ook de bewakers waren niet allemaal slecht. „Ik heb geleerd dat de mensen die voor Gaddafi werkten niet noodzakelijk pro-Gaddafi waren”, zegt Orafi. „Zij waren vooral bang, voor zichzelf en voor hun families.”

Eén figuur in het bijzonder zullen de twee Mohammeds nooit vergeten: kolonel Juma Sayeh. Aan hem hebben ze hun leven te danken. Op 19 augustus, de dag waarop de NAVO een kazerne op het gevangenisterrein bombardeerde, waren de gevangenen in opstand gekomen.

„We waren uit onze cellen geraakt maar toen we op het binnenplein stonden, werden we beschoten door Gaddafi-aanhangers vanaf de daken van huizen in de buurt. Ik heb vier mensen zien doodgeschoten worden”, zegt Zayani. „De chef van de bewakers Moammar Salama, heeft toen het bevel gegeven om het vuur te openen op de gevangenen. Maar op het laatste moment is kolonel Sayeh tussenbeide gekomen. Hij heeft Salama de laan uitgestuurd en alle hogere officieren vervangen.”

Ondertussen kwamen de rebellen steeds dichterbij. Dat was een dubbel gevoel, zegt Mohammed Ibrahim. „We waren blij dat ze eraan kwamen maar we waren ook bang. De Gaddafi-troepen die uit de Bab al-Aziziya werden verdreven kwamen onze kant op. We waren bang dat ze wraak zouden nemen op ons.”

Uiteindelijk liep het goed af. De kolonels onder de gevangenen regelden via hun contacten bussen om de gevangenen door de vijandige buurt naar een veilige plek te brengen. De 50-jarige Ali Abed is komen kijken omdat hij benieuwd was waar zijn neef Ali Mohammed Amer elf jaar van zijn leven heeft doorgebracht. „Ik hoop dat dit nooit opnieuw een gevangenis wordt”, zegt Abed. „Ik hoop dat het nieuwe Libië er een universiteit van maakt. Of een park. Dat zou mooi zijn.”