Lexicon voor de leek

Rotterdam, 24 augustus 2011 Golf Club Rotterdam. Foto: Walter Herfst

Birdie: score van één slag onder par. Zie par

Bogey: score van één slag boven par. Score van twee slagen boven par heet double bogey.

Bunker: met zand gevulde hindernis. De bunkers zijn vaak uitgediept, waardoor het moeilijker is de bal er weer uit te krijgen. Een golfspeler mag het zand niet raken voordat hij de slag begint.

Caddie: assistent die pro op de baan bijstaat. Draagt en onderhoudt de clubs (stokken), adviseert welke club speler moet nemen en geeft tips over de hindernissen op de baan.

Chippen: slagtechniek waarbij de bal kort door de lucht vliegt en ver door rolt. Vaak gebruikt men een club waarmee je de bal makkelijker kunt stiften.

Club: slaginstrument waarmee de golfer op de bal slaat. Er zijn vijf soorten clubs: woods, irons, hybrids, putters en chippers.

Clubhead: De ‘kop’ van de golfclub. Afhankelijk van de vorm wordt de bal verder en/of hoger geslagen.

Drive: eerste slag op een hole. Doorgaans met een driver.

Drivers : de grootste clubs in het arsenaal. Ze worden vooral gebruikt om zo veel mogelijk afstand af te leggen.

Eagle: score van twee onder par. Score van drie onder par heet albatros.

Fairway: deel tussen de afslagplaats en de green.

Flights: reeksen waarin spelers ingedeeld worden tijdens toernooien. De flights starten op verschillende holes, en schuiven vervolgens door.

Green: het kort gemaaide grasrond de hole waarin de bal gespeeld moet worden.

Greenkeeper: Verantwoordelijk voor baanonderhoud.

Handicap: fictief klassement waarmee niet-professionele spelers hun speelsterkte aangeven. Een handicap markeert het aantal slagen boven par (baangemiddelde) die de speler gemiddeld nodig heeft voor een baan van achttien holes. Iemand met handicap dertig doet dus gemiddeld honderd slagen over een par 70-baan.

Teaching-pro: golfleraar die ingehuurd wordt door een golfvereniging.

Hole: putje in de green waar de bal in moet. Heeft diameter van 10,7 centimeter. De benaming wordt ook gebruikt voor deel van de baan, gelegen tussen tee (afslagplaats) en green.

Hole-in-one: prestatie waarbij speler de bal in een slag van afslagplaats in de hole slaat. Spelers die hierin slagen, zijn verplicht de aanwezigen in het clubhuis te trakteren.

Hybrids: clubs die de precisie van de irons combineren met de afstand van de woods.

Iron: ook wel ijzer genaamd: Clubs met clubbladen uit metaal. Genummerd van één tot negen. Met laag genummerde clubs sla je laag en ver, met hoog genummerde clubs hoog en kort. Preciezer dan woods.

Longhitters: speler die grote afstand overbrugt van tee-off.

Major: de vier meest prestigieuze toernooien in het circuit. Samen heten ze Majors. In chronologische volgorde: The Masters, US Open, British Open en het PGA Championship.

Matchplay: spelvorm waarbij twee spelers elkaar direct bekampen. Wie het minste slagen voor een hole nodig heeft, wint de hole. De speler die de meeste holes wint, heeft de partij gewonnen.

Par: score die aangeeft hoeveel slagen een gemiddelde pro nodig heeft om een hole te spelen. Op par 3-hole heeft gemiddelde pro drie slagen nodig.

Pitchmark: beschadiging die bal achterlaat wanneer de bal na een vlucht de green heeft geraakt.

Putten: slag waarbij de bal langzaam in de hole wordt gespeeld. Hiervoor gebruikt de speler een putter, een club met een bijna-verticaal slagvlak, waardoor de bal niet door de lucht vliegt, maar rolt.

Rough: niet gemaaide deel van een baan. Niet bedoeling dat bal hierin komt. Het is moeilijk bal eruit te slaan.

Ronde: speelronde waarbij 18 holes gespeeld worden. Totale afstand rond de zes kilometer.

Ryder Cup: landentoernooi uit 1927 waarbij twaalf beste mannelijke spelers uit VS tegen Europese toptwaalf speelt.

Shaft: het middelste gedeelte van de golfclub, die de grip met het clubhead verbindt.

Strokeplay: spelvorm waarbij het totale aantal slagen over achttien holes wordt samengeteld.

Sweetspot: ideaal raakpunt op een golfbal.

Swing: beweging die de speler maakt terwijl hij de bal slaat. Een mooie swing staat voor een goede techniek

Tee: Afslagplaats. De tee is ook het afslagpinnetje waarop de bal voor de afslag geplaatst wordt.

Woods: Clubs met een groot raakvlak waardoor de bal veel afstand aflegt. De slagkop was oorspronkelijk van hout, tegenwoordig doorgaans van metaal. Ook familienaam van Amerikaanse topgolfer op zijn retour.