Gevecht tegen mollen, dassen en schimmels

Met tissues redde hij vorig jaar het KLM Open van een waterballet. Greenkeeper Adjan Verploegh over zijn leven met gras. „Mijn grootste nachtmerrie is een schimmelaanval. Je kunt in één nacht een green kwijt zijn.”

Hilversum, 15 augustus 2011 Greenkeeper van 'Hilversumse golfclub'. Foto: Walter Herfst

Z o gek als vorig jaar zal het niet worden. Dat ze ’s avonds laat, toen publiek en spelers al lang een droge schuilplek hadden opgezocht, naar de lokale supermarkt reden, een bestelbus volgooiden met keukenpapier om met een mannetje of tien zoveel mogelijk regenwater van een doorweekte green te deppen. Tissues om het pronkjuweel van de Nederlandse golfwereld te redden, het KLM Open.

Hij kan er nu wel om lachen. Het waterballet van de greenkeepers voltrok zich buiten het zicht van toeschouwers, spelers en camera’s. Maar Adjan Verploegh zal zijn eerste Open als hoofdgreenkeeper van de Hilversumsche Golf Club niet snel vergeten. Een week voor de tee-off had de hemel zich geopend boven zijn groene domein in de bossen tussen Hilversum en Lage Vuursche. Niet minder dan 240 millimeter water daalde neer, eenderde van de gemiddelde jaarhoeveelheid. „Dat gebeurt eens in de honderd jaar. Alles stond blank.” En het bleef het hele toernooi regenen.

Een nachtmerrie voor greenkeepers. Zoals mollen of gravende dassen, hongerig op zoek naar engerlingen. Een plotselinge schimmeluitbraak. Of een zieke geest met een terreinwagen die rondjes spint op de zeventiende green. Twee jaar geleden hadden ze motorcrossers die met hun machines achtjes scheurden op de fairway van de elfde. En vorig jaar trof hij louter bruine fairways aan toen hij van vakantie terugkeerde, een maandje voor het belangrijkste toernooi van het jaar. Blikseminslag in een boom had de infrastructuur van alle beregeningsinstallaties op de club vernietigd. „Je hebt niet alles in de hand”, zegt Verploegh (40), gehuld in een donkergroene clubsweater met het opschrift ‘greenkeeper’.

Hij heeft het meeste onheil afgewend in de zeventien jaar dat hij werkt op deze oude, bosrijke baan. Natuurlijk, tegen mollen zet je klemmen. „Ze komen altijd uit het bos, dus aan de molshopen zie je ze aankomen vanaf de zijkant. Eén van de greenkeepers zet klemmen in hun gangen. „We hebben net vijf mollen gehaald uit een nieuwe tee. Daar zit de aarde nog los, daar graven ze makkelijker doorheen.”

Maar dieren zijn niet het grootste probleem op een golfbaan, zegt Verploegh bij de green van de elfde. Die ligt er vlekkeloos bij. Zo strak als kunstgras. In werkelijkheid is het struisgras, een siergrasplantje met een klein, gevouwen blaadje dat bijna plat op de grond groeit en tot 3 millimeter kan worden afgemaaid – dat is de standaard voor golfbanen in de Europese Tour.

Het oogt schitterend, maar het is kwetsbaar. „Mijn grootste nachtmerrie is een schimmelaanval. Dollarspot. Van die kale plekken in het gras. Je kunt in één nacht een green kwijt zijn. Dat heb ik wel gehad hier.”

Vocht en warmte in de nachtelijke uren zijn de belangrijkste ingrediënten voor zo’n aanval, meestal in juni, juli of augustus. Veel van het greenkeeperswerk bestaat uit het weren van schimmels. De eenvoudigste manier is gif – Verploegh spreekt liever over fungicides. Maar er is een probleem: op de Nederlandse golfbanen zijn, anders dan in het buitenland, slechts twee soorten gif toegestaan. „En die kun je maar twee keer per jaar gebruiken, anders wordt het gras resistent.” Gras is pure wetenschap op dit niveau.

Verploegh keek onlangs zijn ogen uit bij zijn Engelse collega’s op The Belfry, een bekende baan ten oosten van Birmingham. „Je hebt daar een schuur met allemaal schappen – helemaal vol met fungicides. Elke keer pakken ze een ander.” Hetzelfde zag hij in Florida, op een baan met zestig greenkeepers – en een aparte loods vol bestrijdingsmiddelen.

Al die mooie plaatjes op The Golf Channel hebben dus wel hun prijs. „Eigenlijk is het niet eerlijk”, beaamt Verploegh. „Nederland loopt heel ver voor met die regels.’’ Maar hij zou niet anders willen. „Straks worden alle fungicides op golfbanen verboden in Europa. Dan hebben ze in Engeland echt een probleem.”

De strenge Nederlandse regels vergen meer verzorging van de banen, maar leiden ook tot vernieuwingen. „We zijn in Hilversum al vijftien jaar bezig met het zoeken naar biologische methoden.” Zo experimenteerde hij met uv-licht „om de schimmels weg te pesten”, en recent met een zeewierproduct dat goede bodemschimmels.

Om droogte te voorkomen investeerde de club dit jaar voor tienduizend euro in een wetting agent voor de fairways. Verploegh: „Dat is een zeepachtige substantie die als een coating rond de zandkorreltjes gaat zitten. Het trekt water aan. Wereldspul. Afgelopen voorjaar is het hier tien weken droog geweest, maar alles bleef groen.”

Zijn grootste wapen voor de greens is zand, oven gedroogd zand. Sinds de zondvloed van vorig jaar zijn de greens hersteld, mede omdat Verploegh er dit jaar vijf silo’s, ruim honderdduizend kilo, zand in heeft gestopt. Met speciale verticuteermachines, gehuurd in Engeland, maakte hij sleuven op een diepte van 2,5 centimeter. Die worden opgevuld met zand. „Daardoor blijft het water niet hangen in de toplaag, het loopt door.” Schimmels krijgen in die droge toplaag minder kans.

Het droog houden van de grond heeft nog een reden: het geeft ‘straatgras’ minder kans zich als onkruid tussen het ‘officiële’ gras op de greens in te nestelen. „Dat is het gras dat tussen straatstenen zit. Het zaait het hele jaar door, waait overal in.”

Verploeg kijkt tevreden uit over de elfde green van de Hilversumsche, maar ziet dan een pitchmark, waar een golfbal heeft gestuiterd. Hij pakt een mes en repareert het deukje. „Dat moeten de golfers eigenlijk zelf doen”, bromt hij. „Anders krijg je een kale plek. Daar komt meteen straatgras in.”

Verploegh hobbelt met zijn elektrische karretje terug naar zijn kantoortje in het bos, omringd door schuren en machines. Binnen hangt een bord met een to-do-list voor het KLM Open. Boompje weg op de zevende. Een berk op de achttiende. Een den bij de driving range. „Ik wilde vroeger al boswachter worden”, grijnst hij.

In de winter kan hij zich uitleven in het bos van de Hilversumsche, veertig hectare groot. „Dan staan we drie maanden te zagen. We hadden hier veertig jaar achterstallig onderhoud. Alleen maar oude bomen, de kruinen in elkaar gegroeid. Je speelde hier in een soort groene tunnels. We dunnen veel uit, creëren doorkijkjes naar andere holes.”

Als het aan Verploegh ligt, gaat hij hier nooit meer weg. Hij kent de meeste leden van de Hilversumsche. „Op deze baan zijn de mensen al jaren lid. Ik heb ook op openbare banen gewerkt waar snel geld verdiend wordt. Als je daar naar een golfer zwaait, kijkt hij gewoon de andere kant op. Daar ben je de tuinman. Als hier bij één van de greenkeepers een kindje geboren wordt krijgen we cadeautjes van de dames uit de baan.”

Tijdens het KLM Open zal hij met 23 collega’s, deels ingehuurd bij andere clubs, om half zes ’s ochtends beginnen met maaien. „Dan zijn we om kwart voor acht klaar, als de eerste spelers afslaan. Dit jaar doen we alle greens met handmaaiers. Dat is minder stressvol voor het gras.” ’s Avonds, als iedereen naar huis is en het gras een millimeter is gegroeid, doen ze nog een ronde – voordat ze tegen middernacht hun veldbedden in het bos opzoeken.

Voor een praatje met de topgolfers is geen tijd over. Bovendien, hij zou niet weten met wie. „Ik volg het helemaal niet. McIlroy? Ik zou hem niet herkennen. Ik vind golfen leuk, maar ik ga niet voor de televisie zitten”, zegt Adjan Verploegh.

    • Rob Schoof